Tag: Utjouwerij de Ryp

  • De zolderschatten van Wim van der Veer: kunst, geen kitsch

    Op de fiets trekt hij er op uit. Of op de brommer wanneer hij verder het landschap in wil. Op de bagagedrager staat een stellage van houten latten om de relatief kleine schilderdoeken te vervoeren. Kwasten, verftubes, schetsvellen en tekenmateriaal gaan in de fietstassen. Zo gaat Wim van der Veer langs Friese wegen. Want Friesland is zijn atelier. Daar doet hij zijn inspiratie op. Daar is hij het liefst aan het werk, in de buitenlucht. In weer en wind gaat Van der Veer op weg, want ieder seizoen en elke dag heeft een eigen sfeer en indruk om uitdrukking aan te geven. Hij zoomt in op details en schildert compact. ‘Haventjes, dorpsgezichten, door bomen omzoomde landweggetjes, eenzame boerderijen, rietomkraagde slootjes en uitgestrekte landschappen onder mooie wolkenpartijen’, schrijft Dirk van Ginkel in het boek Zolderschatten. Dat verschijnt ter gelegenheid van het 85e levensjaar van de kunstenaar.

    Ruimte maken

    Die kleine schilderijen, 35 bij 40 centimeter, en dat tekenwerk – schetsen om de werkelijkheid in de vingers te krijgen – bleven lange tijd opgeslagen en niet zichtbaar in dozen en mappen op de zolder van zijn woonhuis staan en liggen. Enkel was Wim van der Veer bij het grote publiek bekend van zijn grote schilderwerken, die in opdracht werden gemaakt. Maar nu tegen het eind van zijn leven en aan het eind van zijn carrière als kunstenaar, hoewel hij natuurlijk nog jaren mee kan, schoont hij zijn zolder om ruimte te maken. Ruimte in zijn hoofd, plek voor nieuwe dingen en andere inzichten, want Van der Veer is nog voortdurend geïnspireerd bezig. Wim is nog aldoor doende om het Friese landschap af te beelden. In kaart te brengen zou je kunnen stellen, voor de eeuwigheid te bewaren.

    Het is Jan Reinder Adema, en het is Han Steenbruggen, waarvoor Wim van der Veer het zolderluik opent. Zij kunnen kijken in de dozen en de mappen openen. Zij vinden de schatten die voor het oog jarenlang verborgen waren gebleven. Adema presenteert dit tekenwerk en deze vele schilderijen van klein formaat in een verrassende tentoonstelling. Steenbruggen doet een greep uit de dozen en laat havengezichten en enkele landschappen zien in het jaar dat de schilder 80 wordt. Deze schilderijen hing ik destijds als collectiebeheerder aan de wanden van een kamer in de westvleugel van Museum Belvédère. En ik schreef erover: “De expressie buiten gezien wordt in een ferme toets op het doek uitgezet. Zonder overbodige detaillering, direct en spontaan. Zo lijken de schepen (…) groots in beperkte afmeting – monumentaal. Als gezien door een patrijspoort, een venster op de wereld.

    Sfeer pakken

    Nu de schilder dus 85 is, krijgen deze kleine werken opnieuw aandacht. Maar zeker ook de tekeningen, de etsen en aquatint. Voor Wim van der Veer is de tekening de bron van alles. Dat is het begin, de grond waarop een schilderij kan ontstaan. Uit de buitenlucht neemt hij op papier het landschap mee naar het atelier. Maar tekent ook meteen op doek het geziene uit. Het zijn speelse schetsen waarin de scherpe blik van de schilder tot uiting komt. De tekeningen zijn bedoeld als aanloop naar een schilderij, dienen in eerste instantie altijd een doel. Daarom staan er ook wel geschreven aanwijzingen op, zoals het aangeven van kleuren of het pakken van de sfeer. Maar er zijn zeker tekeningen die het predicaat van resultaat verdienen, die al af zijn zogezegd. Ook maakt hij wat hijzelf noemt notities, tekeningen ontstaan tussen de bedrijven door, onderweg.

    De en plein air gemaakte schilderijen hebben een onstuimig karakter en meest ongemengde vaak sombere kleuren. ‘Driest geschilderd, snel opgezet, met een grove penseelstreek en heel veel verf’, schrijft Dirk van Ginkel. ‘Laag over laag, in de wonderlijkste kleuren.’ Van der Veer schijnt zich weinig tijd te geven om een landschap tot in detail uit te werken. Het kenmerkt de spontane aanpak, de speelse benadering van het vak schilderen. Hoewel de schilderijen een klein handzaam formaat hebben, is de verf er monumentaal op geboetseerd. De schilder als beeldhouwer. Het afzonderlijk opvullen van de vlakken omkaderd met geschilderd zwart alsof de schilder met verf en penseel tekent, geeft het beeld een uitzonderlijk aanzicht. In een robuuste toets pakkend getroffen. Het is zo een stapeling van elementen om tot een eenduidige afbeelding te komen. De bouwstenen zijn de losse vlakken die zich puzzelen tot het uiteindelijke beeld. Een eenvoudige opbouw, met een meervoudig resultaat.

    Wim van der Veer is schilder

    Nadat Wim van Jentsje Popma de oude etspers van Hendrik Werkman krijgt begint hij te experimenteren met grafische technieken. Met het etsen en de aquatint moet hij, in weerwil van zijn expressieve handschrift bij het tekenen en schilderen, meer bedachtzaam werken. Echter blijkt hij geen graficus te zijn en stopt ermee. Het experiment intrigeert hem wel, het maken, maar het drukken in oplage – een kenmerk van grafiek – heeft minder zijn belangstelling. Steeds dezelfde handeling doen voor eenzelfde resultaat ziet hij niet zitten. Wim van der Veer is schilder.

    Het werk van Wim van der Veer laat een Friesland uit voorbije tijden zien, is Dirk van Ginkel van mening. Het boek geeft van dat Friesland vele voorbeelden in een groot aantal afbeeldingen. Maar ook Frankrijk is onderwerp van zijn werk. Mens en dier zijn in zijn robuuste schetsmatige stijl op papier en doek gezet. Maar telkens komt hij toch terug naar huis, terug naar Friesland. Het weidse landschap, de hoge luchten, de kleine havens, het heeft zijn aandacht. Hij treedt in zijn vroege werk het leven tegemoet met het penseel in de aanslag. ‘In een caleidoscopische werveling van kleuren en penseelstreken wordt de wereld, zoals die toen beleefd werd door Van der Veer, gevangen.’

    Emotie van de schilder

    Het latere werk laat zich karakteriseren als een rustige en enigszins afstandelijke waarneming van het landschap. ‘Het is een wereld waar het leven goed is en overzichtelijk en waarin de maker een tevreden mens lijkt.’ Het is de emotie van de schilder die zichtbaar in het werk is opgetekend. Hij schildert wat hij ziet in een lichtelijk naïeve stijl. Maar juist dat ongekunstelde maakt het werk zo aantrekkelijk. Het zijn alle stillevens van een verlopen wereld, een omgeving die wij kunnen kennen van toen. Met name door het eenvoudige en vlotte handschrift, de spontane en impulsieve penseelvoering, heeft de kunst van Wim van der Veer een breed publiek. Vooral doordat de dozen en mappen van zolder geopend zijn wordt eens te meer duidelijk dat ook Wim van der Veer het geheugen van Friesland is.

    Wim van der Veer zolderschatten. Dirk van Ginkel. Uitgave verschenen ter gelegenheid van de 85e verjaardag van Wim van der Veer en exposities in Galerie Jan Reinder Adema in Damwâld en De Schierstins in Veenwouden. Uitjouwerij De Ryp, 2024.

  • Bloemlezing als dwarsdoorsnede van de Fryske dichtkunst

    Een heikele onderneming een bundel samen te stellen met een serie dichtende schrijvers. Friese dichters in de 21ste eeuw in dit geval. Het ijs is glad. Want in een of andere keuze valt altijd iemand tussen wal en schip. Dat vindt deze iemand uiteraard zelf, dan wel de bekenden om hem of haar heen. Welke mensen selecteert de samensteller van een dergelijk boek om representatief voor het onderwerp te blijven. In het geval van de uitgave “Naar gelang het Noorden” worden tien Friese dichters naar voren geschoven. Deze zijn vooral in de provincie Fryslân erkend als gevestigde schrijvers. Zo stellen de samenstellers, want de serie werd vanuit diverse standpunten bekeken en de dichters gekozen. De tien verdienen naast Friese roem ook landelijke aandacht zo vindt de redactie. Een dwarsdoorsnede derhalve van wat er in Fryslân op het gebied van de poëzie gaande is. Het vertegenwoordigt de dichtkunst, maar is ze niet. Want zoals hierboven geopperd is het een netelige onderneming om deze schrijfstijl te kenmerken door een aantal uit de reeks te nemen. Er is dan ook kritiek uit het veld gekomen. “Naar gelang het Noorden” is niet een top tien van beste dichters. Het is een afspiegeling van wat er op dit gebied gebeurt in de provincie Fryslân.

    Tweetalige bundel

    De brochure, een bundel op broekzak formaat, is gemaakt op verzoek van It Skriuwersboun. Deze Friese schrijversvakbond is een vereniging van Fryske schrijvers, dichters, vertalers, publicisten en mensen die loyaal zijn aan de Fryske schrijverij. De bond levert een bijdrage aan het verbeteren van het literaire klimaat en behartigt de belangen van auteurs in het Frysk door contacten te onderhouden met allerlei organisaties, lees ik op hun website. Geschreven in het Frysk uiteraard, want daarvoor staat it Bûn. De bundel is echter tweetalig, want de gekozen schrijvers verdienen immers landelijke aandacht. Met een enkel in de Fryske taal gedrukte uitgave zal het niet veel verder reiken dan de provinciegrenzen. Ook daar zit een adder onder het gras. De dichters dichten in de memmetaal, de moederstaal. In dat woordgebruik schuilen hun gevoelens, kunnen ze zich ten diepste uiten. Om deze emotie te vertalen, in dit geval in het Nederlands, moet je van goede huize komen. Immers iedere taal heeft de eigen karakteristiek, het eigen idioom. Niet elke uitdrukking valt een-op-een over te zetten, het boet meestal aan kracht in.

    Beleving wordt herbeleving

    Het Frysk is een dynamische taal, onstuimig soms en rauw meestal. Het schijnt minder beschaafd in vergelijking met het Hooghaarlemmerdijks. Maar juist in die boerse uitdrukkingen gaat een diepe bewogenheid schuil. De Fries neemt geen blad voor de mond, zegt waar het op staat. Maar kan daarnaast heel bevlogen uit de hoek komen. De formulering mag dan ruw en grof zijn, het windt er geen doekjes om. Dat recht door zee gevoel kan niet altijd tot uitdrukking komen in de vertaling. Er dient wel gekozen te worden voor verzachting omdat verharding in de overzetting tot niets leidt. Voor een vertaling ga je niet over één nacht ijs. Het verdient evenveel aandacht en empathie als dat de dichter zelf had. De creatie wordt recreatie, de beleving een herbeleving. Maar de lezer moet al tweetalig zijn om onderscheid te maken. Wanneer de maker dan het eigen maaksel overschrijft is de emotie uit de eerste hand, blijft de kracht in indruk en uitdrukking bij hem of haar zelf. De Fryske dichter zelf is een geboren taalschakelaar. Voortdurend moet gewisseld worden van thuistaal naar schooltaal om het resultaat van de schrijverij een groter verspreidingsgebied te kunnen geven.

    Evenwichtige uitgave

    In “Naar gelang het Noorden” worden de tien geselecteerde dichters in leven en werk toegelicht. Naast een fotografisch portret in zwartwit is kort een biografie opgesteld. De tekst legt de manier van schrijven van de persoon uit en op welke podia en media het werk te vinden is. De waardering wordt uitgesproken in een aantal citaten van recensenten. En een bibliografie om in de bibliotheek of de boekhandel eens gepubliceerde bundels na te trekken. Het is dan lastig om een tweetal gedichten uit het oeuvre van de geselecteerde dichters te lichten. Weer zo’n hachelijke zaak. Welke teksten zijn representatief voor de schrijver. Toch hebben de samenstellers een evenwichtige uitgave weten te maken. Daarbij is niet gekozen voor een enkele stijl, maar komt iedere poëtische uiting voor het voetlicht.

    De titel van de bundel is geschreven uit een dichtwerk van Eppie Dam: neigeraden it noarden. Hij is één van het tiental. “Neigeraden it noarden wint de taal oan / ûntkenning en promket in lippetsjinst / oan it hillich net-neamen de mûle syn n-en.” In dit in 2004 gepubliceerd gedicht spreekt de dichter zich onbarmhartig uit over zijn geboortegrond volgens recensent Jabik Veenbaas in het Fryske De Moanne. ‘Rekent hij ongenadig af met het ijskoude noorden, met de baggerboerengeest die de verbeelding vertrapt en de vreugde neerhaalt.’ Het zet niet de toon van deze bloemlezing, maar geeft wel aan dat de Fryske dichtkunst serieus genomen dient te worden. “Naar gelang het noorden wint de taal aan / ontkenning en pruimt in lippendienst / aan het heilig niet-noemen de mond zijn  n-en.”

    Naar gelang het Noorden. Tien Friese dichters in de 21ste eeuw. Brochure gemaakt op verzoek van It Skriuwersboun. Uitgave Utjouwerij DeRyp, 2023.

  • In Tsjilp! laten Eppie Dam en Lienke Boot vogels kwetteren en kwinkeleren

    Ooit heb ik weleens meegedaan aan de nationale tuinvogeltelling. Daardoor weet ik dat het eigen erf diverse soorten gevederde vrienden herbergt. Heb ik zo een gedeelte van de dag iedere vogel gespot die mijn grondgebied betreed, ontdek ik opeens hoeveel leven de tuin eigenlijk kent. Daarvoor was het besef daarvan nauwelijks aanwezig. In de bomen en tussen de struiken is het een rumoer van belang wanneer je er aandacht voor hebt. Een arendsoog en een luisterend oor. Luister ik beter, zie ik meer. Want het tjilpt en piept, fluit en krast er niet alleen. Het zoemt en bromt, fladdert en vliegt er ook nog eens. De bloeiende bloemen trekken vlinders en bijen, muggen en andere insecten aan.

    Met de tuinvogeltellijst in de aanslag deed ik het aantal vogels aanvinken. Misschien zag ik minder mussen dan een voorgaand jaar, maar meer mezen. Een vink nestelde zich op een tak en een kraai vloog over. Telt deze dan wel mee? Een gaai liet zich schuchter zien en de specht keek eerst de kat uit de boom. Geen vinkje. Er schijnen mensen te zijn die aan de zang de soort herkennen, want ieder vogeltje zingt toch altijd zoals het gebekt is. Het kwaken schrijf ik toe aan de wilde eend en het gekras aan de roek of kraai, maar verder reikt mijn klankenschat niet. Daarin ben ik ongeletterd.

    De bonte specht en de vlaamse gaai

    Eerlijk moet ik toegeven dat veel van de 25 vogels die dichter Eppie Dam bezingt in de uitgave “Tsjilp!” mijn tuin nog nooit hebben aangedaan. En ook nooit zullen aan doen. Maar andere kan ik wel spotten door het jaar heen. De huismus en de spreeuw, de roodborst en de koolmees zijn vertrouwde gasten. De kauw daarentegen en de ekster zijn minder aangenaam. Voor het baardmannetje en de vink veer ik op van mijn stoel. De bonte specht en de vlaamse gaai maken mij meer dan enthousiast. Op mijn wandelingen met de hond tref ik dan de fuut, de zwaan, de waterhoen en de turkse tortel aan. Boven mijn hoofd cirkelen zilvermeeuwen die afkomen op het brood dat ik strooi voor de wilde eend. Gierzwaluwen pikken behendig insecten uit de lucht. In de verte hoor ik een grutto roepen: gritogriit. Hij heeft op zijn beurt een biddende torenvalk gespot en probeert deze af te leiden van zijn nest. Opeens wordt er krachtig aan de lijn getrokken en kan ik nog maar amper mijn arm in de kom houden. De hond heeft een reiger tussen het riet ontdekt en wil de vogel de stuipen op het lijf jagen. De ielreager wordt echter niet door Dam met een gedicht vereerd, wel de earrebarre – de ooievaar.

    Hebben zwanen gedachten

    Het zijn vrolijke verzen die Eppie Dam aan de diverse vogels heeft toegedicht. Veelal zingt hij ze toe, maar ook eens trekt hij het verenkleed zelf aan. Is hijzelf de zanglijster die slakken op het aambeeld hakt. Is Eppie het pulletje van de fuut, dat bij onraad op de rug van moeder kruipt. En ziet hij zichzelf als ijsvogel in het spiegelbeeld van de sloot. Hij bevraagt de vogels retorisch omdat hij kennis wil over hoe en waarom. De vogels zullen niet antwoorden. Maar het zet de lezer wel tot nadenken. Of de ooievaar vanuit zijn hoge nest wel naar de grond durft te kijken en of het daarboven wel veilig is met een harde wind. Hoe vindt de vlaamse gaai zijn voorraad eikels terug in de harde wintergrond. En hebben zwanen gedachten. Waar heeft de kokmeeuw zijn kop in gestoken, in de stront of in de chocola.

    En hij dicht een enkele vogel wel menselijke trekken toe. Zoals de kauw, die in het Fries kortweg Ka heet. K. als van het intitaal van een verdachte. Maar wat heeft K. misdaan. Een ieder getuigt dat hij op een paard zat om een haar te stelen en de wol van een slapend schaap pikte. Eppie Dam weet het eigene van de vogel in zijn spitsvondige gedichten te bevriezen. Het zijn geen koude constateringen, maar warme waarnemingen. Even speels en dynamisch als de vogels zelf zijn. Zij kunnen de verzen zelf bedacht hebben, zelf gezongen en gekwinkeleerd in de vroege morgen en de late avond. Dam verstond de taal en noteerde de spraak.

    De platen zingen in het gehoor

    De zanglijster, de houtekster en de ijsvogel hebben een laagje aandacht meer nadat ik de woorden van Dam heb gespeld. Die woorden overkomen mij niet vreemd hoewel deze in geef Frysk zijn geschreven. Ik beheers deze minderheidstaal in luisteren, lezen en spreken. Het schrijven gaat mij slecht af en zal nooit zo helder zijn als het lyrische schrift van Eppie Dam. Door het gebruik van de Friese taal heeft deze uitgave een beperkte actieradius. Het grondgebied van de provincie Friesland en dan alleen nog de mensen die de taal kunnen lezen, want er is veel import die het Frysk niet machtig zijn. En dan is er nog een grote groep Friezen om utens die zich overal ter wereld bevinden. Maar er schijnt een vertaling in het Nederlands te zijn, hoewel deze aan levendigheid en kracht inboet. De memmetaal, de moerstaal waarin je denkt en leeft zoals Dam in het Fries doet, kan maar moeilijk in een vertaling de waarde krijgen die het van nature heeft. Want woorden en uitdrukkingen zijn taaleigen en laten zich niet of niet eenvoudig in een andere taal overzetten.

    Goed beschouwd kan elk zich wel verlustigen in de gebonden “Tsjilp!”. De vogels twitteren en tjilpen, krassen en kwaken, roffelen en roepen in en door de gedichten van Eppie Dam. De betekenis van die woorden hoef je echter niet te kennen. Fonetisch zingen de verzen als vanzelf. Het Fries is naast een ruig boers dialect een lyrisch poëtische taal. Maar ik ben natuurlijk bevooroordeeld, dat is een ding dat zeker is. De kleurige afdrukken van de uit linoleum gesneden afbeeldingen daarbij kennen geen taalgrenzen. Deze zijn voor een ieder waar dan ook te beschouwen. De vogels stappen en scharrelen, zweven en zwieren door de composities en over de bladzijden van het boek. De platen zingen als het ware in het gehoor. Lienke Boot heeft de door haar afgebeelde vogels met aandacht bekeken en met vaste hand gesneden. Elke karakteristiek, oogopslag en beweging, is door haar vastgelegd in de meerkleurige afdrukken. Het maakt het boek naast leesbaar zeker kijkbaar.

    Tsjilp! 25 fûgelgedichten foar grutte en lytse protters. Eppie Dam. Mei lino’s fan Lienke Boot. Utjouwerij De Ryp, 2017 – derde druk 2023.

  • Een dorpsgeschiedenis uit de Zuidwesthoek van Friesland

    Het eerste wat opvalt aan het boek, van Ids de Roos wanneer ik het uit de verzenddoos pak, is de titel op het omslag: SKA(R)L. Waarom die haken om de letter R? Het betreft de plaats Scharl, in het Fries Skarl. Het ligt in de Zuidwesthoek van de provincie onder de rook van Stavoren en Warns en op een steenworpafstand van het Roode Klif. Schrijver de Roos legt die vreemde schrijfwijze meteen uit in zijn verantwoording. De Roos namelijk hanteert in het boek de Friese taal. Dat is soms een lastige taal, geeft hij toe. Wordt dan wel de r geschreven maar spreekt men deze letter niet altijd uit. “Wanneer Skarl niet geregistreerd stond, had ik niet eens geweten dat die letter in het woord moet.” Daarom heeft De Roos de letter tussen haakjes gezet: het is er wel maar wordt niet gehoord.

    Het is een klein dorp, dat Ska(r)l, in de middeleeuwen ontstaan. Dan heet het nog Scarle, later Scherl en Scharlle. Het heeft op dit moment een 60 inwoners. Tussen Scharl en het naburige Laaxum komt op 26 september 1345 een klein leger van graaf Willem IV van Holland aan land om er de Friezen te bevechten. Het meest gedenkwaardige feit van deze kleine buurtschap. Het blijkt een ongelijke strijd, de Friezen zijn met man en macht opgewassen tegen de Hollanders en overwinnen. Dit gebeuren staat bekend als de Slag bij Warns. Er staat een gedenksteen van bij het Roode Klif, ofwel Reaklif: leaver dea as slaef. Ieder jaar wordt de slag nog herdacht. Dit gebeuren beschrijft Ids de Roos zijdelings in zijn boek. Het tekent wel de streek, maar is minder belangrijk voor zijn geschiedschrijving.

    Vertellingen van horen zeggen

    SKA(R)L is een boek dat het leven van Ids de Roos en de zijnen beschrijft in de Zuidwesthoek van Friesland. “Ferhalen út myn lytse Súdwesthoeke”, want in zijn tijd en eerder was de wereld niet groter dan zover je kon kijken in de driehoek Johan Frisokanaal, Morra en de Wielvaart. Je hebt er een weidse blik over het IJsselmeer, dat wel. De Roos beschreef als columnist van dorpskrant De Warnser Poarte het wel en wee van de boerengemeenschap. Het geeft de lezer, wanneer hem of haar het lezen van de Friese taal machtig is, een mooie kijk in het leven op het platteland van Friesland in deze regio.

    Skarl, Ids de Roos

    Eigenlijk is SKA(R)L een geschiedenisboek, dat gedetailleerd de nabije historie van het dorp beschrijft. Met naam en toenaam komen de bewoners in de verhalen voorbij. Er zijn vertellingen van horen zeggen, van mond tot mond de wereld in gebracht. Maar ook laat De Roos mij zijn eigen ervaringen en herinneringen met en rond de plek weten. Het is door die verhalen van de straat een machtig mooi boek om te lezen. Ik loop mee met Ids langs de verkeerde weg, hoor het kanongebulder van een Hylper skeet en voel de gleone ryksdaalder in mijn handpalm.

    Jan Hurddraver, Jan Barchje, Jan Pap

    Het zijn allemaal vertrouwde voorvallen die De Roos over zijn geboorteplaats beschrijft, althans wanneer je van eenzelfde of daaromtrent geboortejaar bent en van het platteland komt. De eerste telefoon, Sintemaarten in optocht, de voddenkoopman aan de deur, pareltjebrij en ranja in een melkbus. Met de kaarten van het Frysk Boerekwartetspul in de hand kan de vaktaal van het boerenbedrijf worden ontleed en uitgelegd. Hoewel bepaalde zaken ouderwets aandoen en nauwelijks meer van deze tijd zijn. Zo is het boek SKA(R)L naast historisch verantwoord ook nog eens waardig te liggen op de koffietafel van een oudheidkamer. Het is een leerboek ook nog, het onderwijst over de bewoners van de boerderij, de opstallen als de schuur en de hooizolder, over de dieren – de koe, het paard, de schapen en het varken (kwartet!) – , de bedrijvigheid in het voorjaar en de zomer, het landwerk en het melken. Alle facetten van de boer en zijn bedrijf komen aan de orde. Tige nijsgirrich!

    Skarl, Ids de Roos

    Er zijn familieverhalen, oorlogsverhalen, feestverhalen en verhalen die dorpsbewoners beschrijven. Verhalen die legendes worden, maar ook het broodje aap verhaal. Verhalen die verzonnen lijken, die van mond-tot-mond steeds minder waarheid krijgen en meer helshaftig worden. Verhalen over bijnamen, omdat die heel handig zijn wanneer er veel dezelfde voornamen in een dorp zijn. Houd de ene Jan dan maar eens gescheiden van de andere Jan, dus dan wordt het Jan Hurddraver of Jan Barchje en Jan Sticky of Jan Pap. Ido de Roos weet er een hele rij op te noemen en geeft daar dan een levendige beschrijving bij.

    Welhaast alle inwoners van het dorp krijgen enkele zinnen of een heel verhaal in de columns van Ids de Roos toegemeten. Hij heeft een boeiende trant van schrijven, waardoor de vele voor mij onbekende namen uiteindelijk een bekende klank krijgen. En ook de vele zwartwit foto’s in het boek maken de tekst beeldend. Het zijn vooral die dorpsbewoners met hun doen en laten die het boek zo leesbaar maken. Somtijds lijkt de dorpskrant wel een boulevardblad, wanneer De Roos in zijn stukken deuren opent die voor anderen gesloten blijven. Door het boek word ik voor even, het moment van lezen, een Skalder.

    SKA(R)L, ferhalen út myn lytse Súdwesthoeke. Ids de Roos. Utjouwerij DeRyp, 2022.

    Skarl, Ids de Roos
  • Een atlas om het oeuvre te ontdekken

    Het ziet als een prentenboek. Zo’n bundel met plaatjes dat vrijwel zonder woorden kan. Maar geen strip zonder verhaal, hoewel de beelden voor zichzelf kunnen spreken. Enkel enkele onderschriften de verhaallijn zullen duiden. In “NO SA”, een uitgave over de kunst van Klaas Werumeus Buning, lees ik een korte biografie maar zie vooral voorbeelden uit het omvangrijke oeuvre van de kunstenaar. Want de schilderijen tekenen zijn leven, laten zien waar de man voor leeft, wie hij is, wat hij is. In een afgedrukt interview met schrijfster Sabine van den Berg maakt Buning zijn drijfveer kenbaar. Wat hem kan aanzetten tot schilderen. Dat hij met gevoel werkt en vooral naar de herinnering schept. Stof tot nadenken geven de momenten tussen nacht en dag. De schemer, het ontwaken, met de droom nog in gedachten. Dat is het ogenblik dat bevriest op zijn doek. “Ik creëer een droomsfeer, zoals tijdens het moment dat je wakker wordt uit een droom, je hebt net iets meegemaakt, een soort ruimte of ervaring die helemaal niet kan in het echt.

    Dat betekent niet dat het werk van Werumeus Buning in nevel is gehuld, dat het abstracte elementen in zich heeft omdat een droombeeld minder eenvoudig in beeldtaal uit te drukken is. Wel schildert hij deze ervaringen expressief met vlekken en klodders, vegen en klonten verf. Van dichtbij zie ik alleen gekleurde modder op het linnen, maar op afstand vallen de spatten en streken samen tot een geheel. Een geheel met een speels karakter, waarin op het oog niet helemaal duidelijk is wat er gebeurd maar op het gevoel het tafereel herkenbaar en (be)grijpbaar is. Dan wanneer er een gelijkend portret moet zijn van een persoon of een dier, dan blijkt het realistische vakmanschap van de kunstenaar. Dan is er minder de droomsfeer, minder het schemerbeeld van de dageraad, maar staat het onderwerp in het beloken licht van de dag.

    Kunstenaar maakt eigen wereld in atelier

    Werumeus Buning zet geen helder beeld neer, wel een duidelijke sfeer. Hij schildert als het ware het verborgene achter de zichtbaarheid. Het gevoel dat meestentijds schuil gaat achter de waarheid. De emotie die je niet ziet, maar wel ervaart in het kijken. De schilder raakt de stemming in de kern. Daar waar niet de klaarheid van het beeld ter zake doet. Het beeld lijkt nog niet klaar, maar is juist af in de ontroering van de expressie dat tussen de verfstreken spreekt, zoals in een vertelling tussen de regels door het verhaal zich laat lezen. Het is niet duidelijk aanwezig, de toeschouwer dient een andere laag in het kijken aan te spreken. Het is niet waar, maar het had wel waar kunnen zijn.

    Klaas Werumeus Buning. Utjouwerij De Ryp

    In zijn werk roept Klaas Werumeus Buning graag de wereld van het kind op en aan. “Zoals een kind op een kleed speelt met een paar blokjes. De wereld die het daarmee oproept bestáát, die is er. Als kind kun je spelen dat je piloot bent. En dan bén je piloot, op dat moment is het levensecht.” De kunstenaar maakt zijn eigen wereld in het atelier. Hij speelt, of beter schildert, bijvoorbeeld een kerkzaal met paarden. Dan ís die kathedraal gevuld met viervoeters, hoewel dat in realiteit niet zal gebeuren. Buning grijpt terug naar zijn jeugd, of blikt de algemene geschiedenis in. Daarmee schept hij een omgeving die wat betreft gevoel sentiment uitstraalt. Ook al door zijn penseelvoering en verfgebruik.

    In de verbeelding speelt het dwalen een rol

    In het boek, met een voorwoord van kunstkenner Willem Treurniet, laat de schilder zien dat zijn inspiratie een brede reikwijdte heeft. Hij heeft niet een bepaalde voorkeur van onderwerp, het kan van alles zijn dat hem aanspreekt, wat hem beroert. Wat wel een lijn is in zijn werk is het verbeelden van een gevoel, het neerzetten van een wereld die eigenlijk geen bestaan kent. Hij is de schepper van een nieuwe wereld. Bewust vallen de beelden hem niet in, zoals dat gaat met inspiratie. Hij diept ze op uit een onberedeneerd arsenaal van indrukken, of eigenlijk drijven ze net onder het oppervlak van het bewustzijn om daar te zijn en klaar te zijn wanneer Buning ze nodig heeft. De beelden moeten hem iets vertellen, waarna hij er mee aan de slag gaat om er verslag van te doen. Werumeus Buning is een verhalenverteller, een beeldmaker.

    Klaas Werumeus Buning. Utjouwerij De Ryp

    In de verbeelding van Werumeus Buning speelt het dwalen een belangrijke rol”, schrijft Willem Treurniet. In zijn wandeling neemt hij mij aan de hand zodat ik niet verdwaal in het zien. Ik ben op reis in zijn wereld en ontdek door goed om mij heen te kijken kleurige details en de wonderlijke geheimzinnigheid van het leven. Ik maak een trip in het hallucinerende werk van Buning. Het beneveld mijn zinnen en verdooft bijkans mijn werkelijkheid. Het verhaal dat meegaat in het boek toont vooral het hoe en waarom. Het verlangen kunst te maken, de bevrediging in het scheppen van een fantasie. Een welhaast onmogelijke wereld suggereren, maar ook dichtbij de werkelijkheid te blijven in het portret. En waarom het boek het toverwoord “no sa” als titel meekreeg doet de kunstenaar daarin ook fijntjes uit de doeken.

    Kijk ik goed, zie ik beter

    Jan Pieter Dykstra Hzn heeft dat verhaal, dat Van den Berg dus uitschreef van een gesprek met de kunstenaar, in eigen woorden in de memmetaal verwoordt. Wanneer je als lezer die taal machtig bent herken je het een en ander van wat je eerder las. Eigenlijk zou iedere lezer het Fries moeten beheersen, want de tweede landstaal is zo meer levend. De woorden dansen nagenoeg over de zinnen. Het drukt gevoel uit, meer nog dan het zakelijke Nederlands. De taal past zoveel beter naadloos aan de werken van Werumeus Buning. Eigenlijk schildert Klaas in het Fries, hoewel de beelden universeel zijn. Het symboliseert gevoelens die van alle tijden zijn. Het werk heeft geen diepere laag, het is zoals het is.

    Klaas Werumeus Buning. Utjouwerij De Ryp

    NO SA is een atlas om het werk van Klaas Werumeus Buning te verkennen. Een kaartenboek, een plaatjesalbum waarin hij op mijn gevoel werkt door zijn eigen emotie te exploreren. En kijk ik goed, zie ik beter, dan ontdek ik mensen onder de Berenklauwen, een mens op Terschelling en in de sneeuw van het Martinikerkhof Groningen, graffiti in Ligersbolle en een papieren bootje in de Onderwal. Zie ik goed, kijk ik beter, vind ik ruiters in de Paardenkathedraal, een open deur Op weg naar het einde, een veekeuring in Workum aan de voet van de Gertrudiskerk en het bezoek in Het grote atelier. Sta ik oog in oog met Beer, Koperniki en Teadze. Kruist mijn blik die van Baby Spice, Obi, Jentsje Popma en de schilder hemzelf. Ruik ik de plas van de pissende koe, hoor ik de trommelaar van Muzikanten en proef ik de Gerookte makreel. No sa, zo zij het.

    NO SA, Klaas Werumeus Buning. Tekst Willem Treurniet, Sabine van den Berg, Jan Pieter Dykstra Hzn. Uitgave Utjouwerij DeRyp, 2022.

    Klaas Werumeus Buning. Utjouwerij De Ryp