Tag: Verbeke Foundation

  • Het gevoel tot uitdrukking gebracht

    Kunstenaars maken kunst voor het volk. Het werk moet vanuit het atelier de wereld in. Zou je denken. Kunst zal onder de mensen zijn. Tentoongesteld in musea, verkocht in galeries. Maar werkt de kunstenaar voor het publiek? Past de kunstenaar zijn of haar werk aan, aan wat dat publiek wil zien. Vindt de massa het esthetisch in orde. De roem en het geld kunnen de kunstenaar maken en breken. De zichzelf respecterende kunstenaar staat stevig in de schoenen, maar loopt er bij voorkeur niet naast. Er worden geen variaties op een gevonden thema gemaakt, geen dertien in een dozijn kunstwerken. Iedere compositie zet aan tot een nieuw werk, elke creatie verwacht een ander experiment, een volgend inzicht. De kunstenaar groeit in de beelden om tot dat ene sublieme kunstwerk te komen. Dat kunstwerk dat zijn of haar oeuvre afsluit, het is volbracht. Tot die tijd is het volgende werk voortdurend beter dan het vorige. Maar wel bedoelt voor de gemeenschap, bestemt voor de openbaarheid. De kunstenaar heeft een verhaal, een boodschap welke de wereld in moet. Niet gevangen blijven tussen de vier muren van de werkruimte of de opslag. Maar ook niet verdwijnen in een kluis of de kelder. Na jaren op zolder ontdekt worden en op waarde geschat bij “Tussen kunst en kitsch”. Mag je verwachten.

    En dan die enkele kunstenaar, die piekert en ploetert. Puft en hijgt op het werk en zich met bloed, zweet en tranen een plaatsje in de kunstgeschiedenis hoopt te verwerven. Is het hem of haar daar om te doen. Of wordt er gewerkt en gezwoegd omdat dit een heilig moeten is. Men kan niet anders. Het is geen werk, het is een opgave. Niemand echter die dit de kunstenaar heeft opgedragen; het zit hem of haar in de genen, het is er bij de geboorte in gebakken. Een gevoel moet tot uitdrukking komen, meer dan dat er een kopie van de omgeving dient te staan. Het is daarom alsof Tjibbe Hooghiemstra kunst voor zichzelf maakt. Althans zijn getekende collages doen dat vermoeden. In die mixed media composities, papier collés, ‘vloeien tekeningen en schilderkunst samen in spanning en evenwicht. Het gebaar van de kunstenaar is overal aanwezig’, lees ik in het boek waarin een aantal van deze werken is opgenomen en deel uitmaken van de collectie van de Verbeke Foundation: Here in this Spring.

    Balans tussen stilte en spraak

    De titel van het boek verwijst naar een gedicht van Dylan Thomas. Het omschrijft de werken of eigenlijk andersom, het werk illustreert het gedicht. “Symbols are selected from the years” is een poëtische zin die de toon zet van de tekeningen. En die collages reflecteren de gedachte bij het woord. Het is geen eenvoudig werk om te doorgronden, deze werken van Hooghiemstra. De in de uitgave opgenomen tekeningen lijken schetsen voor de andere paden die Tjibbe in de kunst bewandelt. Deze collages verbeelden of beter omschrijven het gedachtegoed in zijn kunst. De ideologie en filosofie hoe de wereld er volgens de kunstenaar uit zal moeten zien, zijn wereld. Schetsen die moeilijk actief te begrijpen zijn, omdat deze de geest van de maker weergeven. Een blik in het brein, zien wat verborgen is. De tekeningen openen de ogen, geven een inzicht in het motief van Hooghiemstra.

    Raadselachtig zijn de tekeningen in “Here in the Spring”. Ze balanceren tussen stilte en spraak lees ik in het boek. “Als kunstenaar die zich instinctief aangetrokken voelt tot geïsoleerde en verweerde plaatsen, suggereren zijn werken een gevoeligheid die scherpzinnig beschouwend en meer dan een beetje melancholisch zijn.” In dit werk zijn herinneringen van reizen verzameld. Geen snelle kiekjes van toeristische schoonheid, maar gedachten bij onbeduidende hoeken en gaten. De kunstenaar ziet om het hoekje van wat algemeen als mooi wordt aanvaard. En maakt daarmee ook geen fraai werk. Want dat is niet het uitgangspunt. “Zijn kunst bestaat uit het eren van het alledaagse, het vieren van wat maar al te vaak over het hoofd wordt gezien.

    foto © Tineke Schuurmans

    Rustig expressieve composities

    Het zijn gekrabbelde fragmenten, scherven herinnering schetsmatig op papier gezet. Als een droom waaruit ontwaakt slechts flarden teruggedacht en weergegeven kunnen worden. Bladerend door het boek grasduin ik als het ware door de emotie van de kunstenaar. En daar kan ik een gevoel bij hebben, terwijl ik de ervaring niet deel. Het is niet makkelijk te doorzien, geen eenvoudig inzien. De reisgids om zijn ontroering te bespeuren, navigeren langs de route van zijn denken, is niet altijd even goed te lezen. Zolang ik de juiste taal niet spreek komen mij de tekeningen als warrig en onsamenhangend over. De dragers van de tekeningen zijn even onnoemelijk als de inspiratie dat is. Oude gebruikte papieren geven het werk structuur. Plaatsen de gedachten in de tijd. Het heeft een leven, vertelt erover.

    Meer nog dan zijn andere werken zijn deze rustig expressieve composities diep persoonlijk. In dit werk legt de kunstenaar zijn ziel bloot. Laat hij meer los dan voor mogelijk gehouden wordt, omdat de collages schuren en schaven aan mijn beoordeling. Krachtig en kwetsbaar doen deze een beroep op mijn inlevingsvermogen. Niet meteen weet ik wat ik zie, en dat hoeft ook niet want de zichtbare werkelijkheid is niet altijd heilig. Hooghiemstra geeft in zijn werk een vingerwijzing, beeldt half wat het alledaagse uitdrukt. Hij gaat door de wereld, bekijkt en beschouwt. Acht ‘de ronding van een omgekeerde boot, de krulling van een verwaaide struik, de gekneusde bloei van een eenzame wilde bloem, het silhouet van een telegraafpaal gekleefd tegen een bleke lucht’ meer dan waardevol om te bespiegelen. De mening die hij zich daarover vormt, de idee die zich aan hem opdringt, vindt een uitweg in de collages.

    foto © Tineke Schuurmans

    Over het algemeen gaan de werken zonder titel. Hoewel de aanduiding ‘zonder titel’ ook een beschrijving van de afbeelding is. Daaruit kan ik geen plaatsbepaling of sfeerbeeld opmaken, maar moet ik zelf aan de bak om te duiden. Dat vergt een diepere blik dan een oppervlakkig kijken. Hooghiemstra deed dat voor mij en legde het doorzien vast in een vluchtige beeltenis. Gelaagd door de collage graaft hij zich in het beeld, de gedachte. De rake notities jeuken aan mijn voorstellingsvermogen. Het beeld is meestentijds half af en schimmig, zo schijnt het, en wordt door mijn blik in gedachten aangevuld. Interactief kijk ik over zijn schouder mee de wereld in. Zijn wereld is voor het moment van beschouwen mijn wereld.

    Here in This Spring. Tjibbe Hooghiemstra. Collages. Tekst Tjibbe Hooghiemstra, Cooimhin Mac Giolla Léith, Marie Verboven. Uitgave Verbeke Foundation, 2024.

    foto © Dirk van Ginkel

  • Ze hielden over ons de wacht

    Vreemde bouwsels verspreid over en in het landschap. Hoog oprijzend maar niet passend tussen bomen en struikgewas, dus daarom de aandacht op zich vestigend. Onwezenlijk in de omgeving als ongedefinieerde bouwwerken van een verleden tijd. Voor en door die tijd open gewerkte torens in een experimentele architectuur. Zijn het follies? Met een decoratief, kunstzinnig of ludiek karakter, zonder doel dan er enkel te zijn. Of dienen ze ergens toe, hebben ze een serieuze functie. Dat hadden ze, ooit, de luchtwachttorens. Want dat zijn het, bouwsels om op hoogte de hemel in de gaten te houden, te speuren naar niet geïdentificeerde vliegende objecten van vijandelijke makelij. Tijdens de Koude Oorlog, waarbij west en oost gescheiden door een muur als kemphanen tegen over elkaar stonden, waren er honderden verspreid over het land opgericht. Nu zijn er nog een paar handenvol van die verdedigingswerken over, als beschermde monumenten vooralsnog aan de sloophamer ontkomen.

    Bij het tot stand komen van het netwerk torens om de veiligheid van het land te dienen was de betekenis ervan voor de verdediging van luchtruim en grondgebied eigenlijk al achterhaald. De uitkijkposten dienden geen functie meer. Werden ongewild en onbedoeld excentrieke toevoegingen in het landschap. In aantal vanuit de lucht gezien een dreiging vormend, onderwijl ze de wacht hielden over het land. Wij konden rustig gaan slapen, want de manschappen – vrouwen kregen geen toegang – van de dienst KLD (Nederlandse Korps Luchtwachtdienst), beschikkend over een best gezichtsvermogen – ofwel behept met arendsogen, speurden handmatig de lucht af op vermeende vijandelijke handelingen. In die tijd van de Koude Oorlog. Er was immers de dreiging van Rusland.

    Het belang en gewicht verloren

    Slechts een enkele maal drong een ongewenst schijnend vliegend object het luchtruim binnen – het bleek een tuig vliegend onder Russische vlag komend van een vliegshow in Frankrijk die enkele luchtfoto’s van de natuur in Limburg wilde maken. Voor de rest van de tijd draaiden de manschappen duimen, onderwijl turend door kijkers met blocnotes in de hand en mobilofoons aan het oor. De wapenwedloop was de torens echter te snel af, want berekent op door propeller aangedreven vliegtuigen bleken de nieuwerwetse straalvliegtuigen te rap voor het blote oog. En was het contact over een mogelijke vijandelijke overtreding te langzaam op de juiste plek om adequaat in te kunnen grijpen.

    De torens verloren het belang en gewicht, werden gesloopt of overgeleverd aan de tand des tijds. Zeventien staan er nog hier en daar door Nederland. Alle met eenzelfde architectonische structuur op de tekentafel ontworpen door Marten Zwaagstra. Wanden met een honingraatstructuur van prefab schokbeton te hergebruiken wanneer de dienst van de torens erop zou zitten. Want de luchtafweer zou tijdelijk zijn, de dienst wist dat de tijd het functionele karakter zou inhalen. Maar dat ging sneller dan gedacht en verwacht. Welgeteld achttien jaren hielden de torens de wacht. Er gebeurde al die jaren niets, de mannen zaten daar op hoogte bij wijze van spreken uit hun neus te vreten in ploegendiensten van drie uren – want ze moesten wel scherp blijven. Ze zagen alleen spreeuwen, uilen en wilde ganzen. Maar vogelkijkhutten behoeven niet door het Rijk worden opgericht en onder bevel vallen van de Koninklijke Luchtmacht.

    Koude Oorlog

    Volgens de uitgave “Het kunstwerk als kunstwerk, luchtwachttorens in Nederland” werden de torens spelers in een absurdistisch theater. Fotograaf Herman van den Boom zette de overgebleven torens op de gevoelige plaat, omdat hij gefascineerd raakte door de surrealistische bouwwerken en het fantastische verhaal erachter. “Een militaire organisatie die haar eigenlijk nutteloze ideeën met grote toewijding realiseert, haar leden in zinvolle uniformen steekt en ze verheft tot redders van het vaderland.” Waar een klein land groot in probeert te zijn, maar te sloom tot actie overgaat. “Een schelmenstreek”, noemt Van den Boom het, “een politiek gemotiveerd theater over een ernstige Russische bedreiging voor de bevolking of gewoon geldbelangen?

    De Russen zijn tot nu nooit komen opdagen. Op dit moment is de dreiging meer voelbaar dan tijdens de Koude Oorlog. Rusland heeft de oorlogstaal uit de koelkast gehaald en opgewarmd tot niet te pruimen kost. Nu zouden de torens van meer belang zijn, ware het niet dat deze tegenwoordig beschouwd kunnen worden als uitgestorven dinosaurussen. Het skelet steekt nog fier boven de bomen uit, maar de kracht is er allang uit verdwenen. Het kunstwerk heeft de huid afgedaan en dient ontveld geen enkel doel meer, anders dan dat het herinnert aan voorgewende spannende tijden met een denkbeeldige vijand. Pas nu is deze fantasie werkelijkheid geworden en beheerst dit het wereldbeeld negatief.

    Verdedigingswerken

    Herman van den Boom heeft met de fotocamera in de aanslag de resterende militaire follies bezocht. Er van alle kanten platen van geschoten om de historische waarde in beeld te brengen. Hoewel deze rotte tanden vloeken in de omgeving zijn ze van onschatbare waarde voor de geschiedenis van Nederland. Doordat ze eigenlijk nooit een duidelijk omschreven doel hebben gediend, omdat de dreiging enkel op papier bestond. Theoretisch was er een noodzaak, terwijl in de praktijk het een onnodige actie was. De foto’s in het boek lichten deze bijzondere angststoornis uit. Vanuit de vrees voor de oost heeft het verleden unieke bouwwerken nagelaten. De erfenis van de Koude Oorlog, die pas decennia na de val van de muur warm is geworden, laat een indruk achter van angst en vrees.

    De verdedigingswerken trekken sporen in de omgeving, maar doordat het overgrote deel is verdwenen kan het bedoelde netwerk niet meer worden ontdekt. Achteraf gezien is het jammer dat er zoveel al zijn verdwenen, maar niet verwonderlijk omdat zonder functie de torens eerder een sta in de weg waren dan ter meerdere eer en glorie van het landschap beschouwd konden worden. Over horizonvervuiling gesproken. De betonnen bouwsels kunnen nu worden bezien als kunstwerken in de zin van cultureel waardevolle herinneringen. “Men herkent er een torenachtige structuur in, of een klimhek, of misschien iets voortgekomen uit de bouwdoos van een gigantisch kind…

    Het zijn spelingen van een maatschappij die werd gedreven door angst voor een vermeende vijand. Laten we deze bouwwerken koesteren, hoewel ze te lelijk zijn om aan te zien zijn deze te mooi om neer te halen. Het boek vertelt naast de verbeelding het verhaal van de luchtwachttorens. Daardoor is het een fotoboek, maar ook een historisch verantwoorde uitgave. Heb ik me met de fotograaf ooit verbaasd over het bestaan ervan, nu ken ik het doel en de veronderstelde noodzaak. Het is een bladzij in het geschiedenisboek die niet hoort te worden uitgescheurd. Met zijn uitgave stelt Van den Boom dit vast en voegt juist een pagina toe. Een katern in de canon van Nederland.

    Het kunstwerk als kunstwerk. Luchtwachttorens in Nederland. Herman van den Boom, fotografie. Uitgave Verbeke Foundation, 2021.