Tag: Waanders Uitgevers

  • Het herordenen van de zichtbare werkelijkheid

    In november tipt Stef Kreymborg mij en al haar andere volgers online: “eerst de tentoonstelling Solo e Tutti in Museum Eicas in Deventer bekijken en daarna het gelijknamige boek in de Museumwinkel aanschaffen (…). Om zelf van te genieten of aan een ander te geven!” Dus heeft zij mij nog zo gewaarschuwd: eerst kijken dan kopen en bekijken. Maar ja, eigenwijs hé. Sla ik het boek open, dan werk ik me eerst door structuren, materialen en stoffen heen. Om in de sfeer te komen, zeg maar. Want dat is haar stiel, dat is waar haar kunst uit bestaat. Het herordenen van de zichtbare werkelijkheid.

    De kunstenaar kijkt anders, ziet beter, merkt op. Wat de ‘normale’ mens niet ontdekt, gewoon overheen stapt of ongezien aan zich voorbij laat gaan – dat pikt de kunstenaar op, neemt daar meer dan notitie van. Kijkt als het ware door de werkelijkheid heen naar een nieuwe waarheid. Maakt van die waarheid een nieuwe realiteit, een echtheid die voor de kunstenaar wezenlijk is. Dat is voor zover het een gevoel betreft bij wat zichtbaar en tastbaar is, de emotionele waarde. De kunstenaar ziet volstrekt meer, niet alleen de omgeving op zichzelf maar tevens details daarin of onderdelen daaruit. Iedere materie, elke stof, alle vormen kunnen een begin zijn van een nieuwe samengestelde waarheid. Een werkelijkheid in een andere gecreëerde wereld. Een inspiratie om een zogenoemd kunstwerk mee en van te produceren.

    De eerste objet trouvé

    Werkelijk met alles is kunst mee of van te maken. De tijd dat potlood en penseel, krijt en verf, het enige materiaal was om mee te werken ligt ver achter ons. Iedere grondstof kan in de kunst gebruikt worden om te beelden, te verbeelden. Om datgene te maken wat er voordien alszodanig niet was. Nam de prehistorische mens een kooltje uit het vuur en zette een tekening op de rotswand. Het was zogezegd de eerste objet trouvé. En later worden planten gebruikt als grondstof voor pigment om verf te maken. Of stenen om een beeld te houwen. Die steen is ook ready made, de vorm moet alleen nog worden uitgepakt ofwel uitgehakt. Marcel Duchamp zag in het object dat al van de oorsprong was ontdaan een kunstwerk. Door het slechts op een andere manier te presenteren kreeg het waarde. Zo is dat met alle dingen die de kunstenaar door de omgeving is aangereikt. Verf is ook maar modder aan een kwastje. De lijn de afgifte van houtskool.

    Vriendin Renate Dorrestein leerde op de lagere school van Stef dat je dingen kunt verzinnen. “Niet ingeperkt te worden door de werkelijkheid bleek een tovermiddel”, schrijft ze. “Het ging eigenlijk net als lezen; je hoefde het alleen maar voor je te zien.” Daarin schuilt de crux van Kreymborgs oeuvre. Feico Hoekstra merkt in zijn biografische schets ook op dat het stoeien met vormen en structuren, het uitdenken en projecteren, er al vroeg bij de kunstenaar in zit. “Dan probeerde ik mooie vormen en mooie kleurcombinaties te maken.” Haar textielreliëfs en blinddrukken met abstracte composities kregen in het begin een stroeve presentatie, maar daarmee bouwde ze later een zekere reputatie op. Textiel en papier hielden haar voorkeur om daaraan door vouwen wezensvreemde vormen te creëren. Hoekstra schetst de weg die Kreymborg in de kunst gaat, en die is eigenzinnig verlopen van pure esthetiek naar een poëtische invalshoek. De werken krijgen een sociale laag, hebben een verhaal meer dan dat ze schoonheid uitstralen. Werkt Kreymborg eerst kleurloos, later past zij door een opdracht van Forbo Flooring, marktleider in vloerbedekking, diverse kleuren op haar kunst in. De mooiheid mag dan niet voorop staan, de composities hebben glans en schitteren de beschouwer tegemoet.

    Kleren maken de man, textielpluis en plastic, 2017.

    Creatief speelse geest

    Ik doe het vrijwel iedere dag. De zeef van de wasdroger opschonen. De stoffen die zijn afgeslagen van het textiel in en door de droogtrommel. Ik gooi ze weg, deze doen er niet meer toe. Maar eens heb ik gedacht dat stof te verzamelen om er iets mee te doen, ooit. Kreymborg deed dat, ik keek ervan op. Het schiep in gedachten een band met deze creatief speelse geest. De cyclus van creëren, het hergebruik van dingen, wordt door haar gekunsteld. Eens zag ik van een bevriend kunstenaar, die zich beeldbouwer noemt, een compositie met kwikloks ofwel broodclips. Van die sluitingen waarmee broodzakken worden dicht gemaakt. Van die plasticjes die ongezien worden weg gegooid. Maar dergelijke onooglijke dingen zijn te bewaren, te verzamelen. Door de vingers van de kunstenaar zijn de sluitingen tot een kunstwerk samengesteld. In volgorde van houdbaarheidsdatum draaien ze rond hun as. Ik vergelijk dit met de compositie eenzame sokken van Kreymborg. Sokken die ooit de helft van een paar zijn geweest, maar als onvrijwillige vrijgezellen nutteloos in de kast liggen. De sokken kreeg ze van alle kanten toegestuurd na een oproep op sociale media. Het werd een veelkleurige klaagmuur, waarmee haar kunst een andere betekenis kreeg. Simpel maar doelmatig. Want overal en van alles, van niets is iets te maken. Alles wat je ziet is te gebruiken. De kunstenaar heeft daar een antenne voor, althans de experimentele kunstenaar die het beeld wil uitproberen, de waarheid wil testen, de werkelijkheid wil aanpassen.

    Klaagmuur van eenzame sokken, eenzame sokken op textiel, 2009.

    De objecten van Kreymborg zijn een sieraad in de ruimte en bepalen een sfeer. Haar kunst richt zich op uit het platte vlak. Het onmogelijke is in haar werk mogelijk gemaakt, ogenschijnlijk niets is tot werkelijk iets geworden. Het heeft waarde, is van belang geworden. Vormen jeuken, volumes kriebelen. Het idee daar iets mee te doen pijnigt niet het brein maar doet de gedachte een sprongetje maken. Het hart slaat over van opwinding daar iets in te zien dat een ander pas ontdekt wanneer jij het hebt hergebruikt. Het opent de ogen, verruimd de blik. Het inzicht krijgt ruimte, de blik breekt los. Het andere zien gooit het krampachtige beschouwen van zich af. Verstand op nul, blik op oneindig, en zonder vooroordeel objectief genieten. “Je zou kunnen zeggen dat ik tegenwoordig vooral emotioneel geladen materialen gebruik, die iets meegemaakt hebben en zo een dimensie toevoegen aan de vorm. (…) Natuurlijk bén ik mijn werk, maar het mooiste is als ook anderen zich erin herkennen. Daar doe ik het voor, daar word ik blij van.”

    Tot in iedere vezel verbonden met haar werk

    In haar werk zie je invloeden van de Nulbeweging terug komen, maar zij geeft de koude monochrome abstractie een warme natuur. Gaandeweg de tijd krijgt het eenkleurige karakter een veelvormige aard. Adelheid Smit beschrijft in haar bijdrage tot het boek de artistieke aspiraties van Stef Kreymborg, dat haar werk verweven is met haar wezen. “Zoals draden zijn verweven tot textiel, zo verweven is Stef Kreymborg met de dingen die ze maakt”, benoemt Karin van Lieverloo de ongezochte vondsten in het werk. “Tot in iedere vezel is zij verbonden met haar werk, dat materialiteit als kenmerk heeft. Ze bouwt met stof, ze materialiseert.” De ordinaire vorm, het dagdagelijkse object afgedaan als onbruikbaar na intensief gebruik, verheerlijkt zich in de kunst. Het lelijke eendje wordt een schone zwaan, voor wie er oog voor heeft. Wie de waarde van het hergebruik, de reïncarnatie van de vorm, wil inzien en op waarde weet te schatten. De waarde die het object zich door de kunstenaar heeft laten toemeten.

    Ik ben gefascineerd door de regelmatige onregelmatigheid in groeivormen”, licht Kreymborg de ontroering van onder meer de patronen in een doorgesneden rode kool, de strepen van een zebra, wolkenformaties, zandribbels, berkenbossen en zwermen vogels toe. “Steeds zoek ik het spanningsveld tussen uniformiteit en diversiteit, tussen orde en wanorde, tussen symmetrie en asymmetrie.” En “ik zoek naar beelden waarin de wetmatigheden van de natuur een relatie hebben met vorm, kleur en beweging in de cultuur.” Het wezen van iets, het wezenlijke, daar gaat het haar om. De verbinding tussen al haar kunstuitingen ligt in de zoektocht naar het wezenlijke, waarbij de materie de vorm dicteert. Kreymborg is een waarnemer, dat past zij toe in haar werk. Ze merkt schoonheid op in het onverwachte, in dat wat ieder ander over het hoofd ziet of voor vanzelfsprekend aanneemt: in het kleine het grootse en in het gewone het ongewone opmerken. De gedachte reïncarneert in het beeld. De idee krijgt vorm, de geest heeft volume. Het inzicht filosofeert zichzelf tot tastbaar en aanraakbaar object. Het boek toont een verscheidenheid van die objecten en geeft een gelaagd inzicht in wat kunst voor Stef Kreymborg is.

    Solo e Tutti. Stef Kreymborg. Uitgave verschenen bij de gelijknamige tentoonstelling in Museum EICAS in Deventer van 26 oktober 2025 tot en met 22 februari 2026. Waanders Uitgevers & Wilco Art Books, 2025.

  • Collectie figuratieve kunst in Drents Museum

    Met Gen F zendt het Drents Museum een krachtig signaal uit. Het profileert zich nadrukkelijk als voortrekker op het gebied van het collectioneren van hedendaags realisme. Gen F; generaties kunstenaars erfelijk belast om de waarneming van de zichtbare werkelijkheid te beelden. Gen F; het overzicht van de door het museum verzamelde figuratieve kunst over de afgelopen decennia. Met name werken waarmee het museum de naam en faam als verzamelaar van deze kunststroming onderstreept. En waarmee het zichzelf als het ware stevig in de kunstmarkt zet. Een kraam waarvan de kunstkenners en -liefhebbers maar al te graag een beeldend graantje willen snoepen. Het Drents heeft zich de autoriteit op het gebied van het hedendaags realisme met verve toegeëigend, het geeft de toon aan en andere musea spelen hun partij in de maat mee. Dit is mede te danken aan de vertrekkend algemeen directeur Harry Tupan. Eerst als conservator hedendaagse kunst zette hij het Drents Museum al voorzichtig op de kaart, maar later als directeur wist hij Assen tot het middelpunt van vooral het Nederlands realisme te maken. Mooier kan hij het zich dan ook niet wensen om op deze manier, met een grote tentoonstelling en daarbij een kleurrijk collectieboek, afscheid te nemen van ‘zijn’ museum.

    In de tentoonstelling over 75 jaar figuratieve kunst kan de bezoeker in het Drents Museum de werkelijkheid welhaast aanraken, door het boek Gen F is dan elke millimeter schijnbare waarheid tastbaar te onderzoeken. Want wel is de waarneming van de zichtbare werkelijkheid uitgangspunt voor de collectie hedendaags realisme, het vertalen van zien en het interpreteren van het geziene op doek en papier of in een ruimtelijke vorm is aan de kunstenaar zelf. Het is zijn of haar waarheid. Deze waarheid hoeft geen echtheid te zijn, de realiteit van het beeld is onderhevig aan wat de kunstenaar ermee wil vertellen en wat de beschouwer erin ziet. Het is geen zuivere waarheid, stemt niet altijd overeen met de werkelijkheid. Daarom dekt figuratief beter de lading dan de term realisme dat doet. De figuratie is uit de werkelijkheid genomen, het resultaat stijgt boven het zijn uit en reflecteert het gevoel bij wat gezien is.

    Schilderijen van het echte leven

    Dit boek gaat over de Nederlandse kunstenaars die vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw kiezen voor de figuratie en verzameld zijn door het Drents Museum”, lees ik in de uitgave Gen F 75 jaar figuratieve kunst. Dat het Drents met deze stroming wegloopt, en na 1994 serieus aan het verzamelen raakt, is omdat het Groninger Museum en het Fries Museum minder interesse hebben in figuratief werk van kunstenaars in Noord-Nederland. De tentoonstelling nu belicht meerdere generaties kunstenaars, echter niet elke Nederlandse kunstenaar is in de verzameling van het Drents Museum vertegenwoordigd. Daarom is het boek bij de tentoonstelling een catalogus van de eigen collectie en geeft geen overzicht van datgene wat speelt in de hedendaagse figuratieve kunstwereld. Het is derhalve een Drents feest ter ere van de scheidend directeur. “De aard van de collectie bepaalt dus welke kunstenaars en werken in het boek zijn afgebeeld”, schrijft Tupan in het voorwoord. “Ook hebben wij binnen de collectie keuzes moeten maken.” Maar er wordt gewerkt aan het online toegankelijk maken van alle kunstwerken uit de collectie, zodat de niet afgebeelde werken en tevens de verzamelde internationale figuratieve kunst integraal bekeken kunnen worden. Echter ligt voor dit project de focus op Nederland. Ondanks de leemtes die noodgedwongen optreden is Gen F toch een duidelijk overzicht van wat er in 75 jaar door kunstenaars aan de werkelijkheid is toegevoegd.

    Hoofdconservator Annemiek Rens biografeert in haar essay de figuratieve kunst. Nederland blijkt een sterke traditie op dit gebied te hebben, het gebruik van verbeelden dat al vanaf de zeventiende eeuw een hoofdrol speelt in de kunstwereld. In aanloop tot wat hedendaags aan onderwerpen wordt uitgebeeld was het gewone leven inspiratie en waren wolkenluchten en modderige weggetjes reden tot schilderen. Schilderijen van het echte leven worden zeker buiten de landsgrenzen gewaardeerd, en nog geeft dat normale zijn in iets andere vorm voortdurend aanleiding tot verwerken. Gen F geeft daarvan een goed beeld. De werken zijn herkenbaar, menselijk, maar gezet naar de hand van de kunstenaar. De huid is zichtbaar, de gelaagdheid geeft voeling. Want achter het zichtbare is het gevoel bij de werkelijkheid aanwezig. Voorbij het alledaagse wordt een diepere werkelijkheid onthult. Er is geen duiding van de waarheid op zichzelf, maar de beleving daarvan krijgt beeld. Het is verbeeldende kunst, meestal zonder maatschappelijke boodschap; het werk gaat over universele thema’s als liefde, ouder worden, dood, harmonie en verwondering. Ook worden elementen uit verschillende tijden gecombineerd in het eigen werk – verleden neemt deel in het heden.

    Collectie hedendaagse kunst

    Het opbouwen van een collectie vergt lef, visie en steun.” Harry Tupan heeft een rotsvast geloof in de figuratie en sloeg tegen alle kritiek in aan het verzamelen. Mede aan zijn lef en visie heeft het Drents Museum de omvangrijke collectie te danken. In haar verhaal beschrijft Rens tevens de instanties zorgend voor het bloed in de kunst en via welke wegen werken op de markt komen en waar deze worden bewaard en tentoon gesteld. Belangrijk in deze keten waarop de kunstwereld is gefundeerd zijn de schakels van de particuliere verzamelaars. Deze zorgen voor uitbreiding van openbare collecties door schenkingen en langs stichtingen en fondsen doorverkochte objecten, en zijn daarmee een enorme steun. Zonder deze mecenassen zou er geen museum kunnen overleven, het vormt meestentijds het hart van de collectie. In het artikel worden deze schenkers dan ook met naam en toenaam genoemd, hoewel er zijn die anoniem wensen te blijven. De collectie van het Drents Museum heeft karakter, roemt Annemiek Rens de eigen verzameling, waar verrassende ontdekkingen gedaan kunnen worden daar het museum de figuratieve kunst breed opvat. Boegbeeld is natuurlijk Matthijs Röling, die als vrijgevochten rebel zijn leven lang naar de werkelijkheid schildert met de ambachtelijke perfectie van de oude meesters. Onlangs is er een boek verschenen met daarin de hele Röling-collectie die het Drents Museum bezit. Maar ook andere grootheden kunnen gevonden worden in het depot en wisselend in de zalen.

    In het boek zijn een honderdtal schilderijen, tekeningen en beeldhouwwerken afgedrukt uit de collectie hedendaagse kunst van het Drents Museum dat ruim 5000 objecten omvat, chronologisch ingedeeld naar het geboortejaar van de kunstenaar. Deze indeling laat daarom de ontwikkeling zien die kunstenaars van verschillende opeenvolgende generaties hebben doorgemaakt. “Dat biedt houvast, en laat tegelijkertijd zien hoe divers het palet aan verschijningsvormen van figuratie is, ongeacht de tijd waarin iemand opgroeit.” Zoals voor boek en tentoonstelling een keuze is gemaakt uit de collectie, zo kiest Annemiek Rens voor haar verhaal een aantal kunstenaars om het werk te bespreken zonder de andere niet genoemde tekort te willen doen. Het is een waardevolle aanvulling, maar eigenlijk niet nodig omdat de afbeeldingen voor zichzelf spreken. Na de teksten volgt een catalogus om van te smullen. Op de punt van mijn stoel beschouw ik de diverse werken die binnen de stroming talloze aan elkaar verschillende uitingsvormen heeft.

    Ultrakorte biografiën

    Tegen de stroom in zetten kunstenaars met geboortejaar voor 1940 zich aan de waarneming in hun werk. Tegen de stroom van het constructivisme en de abstractie in, tegen stijlen die de waarneming van de werkelijkheid afzweren. De figuratieve kunst wordt gezien als oubollig, ouderwets en achterhaald. Toch handhaaft deze kunstrichting zich en wordt gaandeweg de eeuw geaccepteerd naast al de andere indrukken en uitingen. Nieuwe generaties kunstenaars bekijken metier met frisse blik en passen het eigentijds en actueel in. Zoals het een complete catalogus betaamt is deze Gen F uitgebreid met ultrakorte biografieën van de kunstenaars, een opsomming van tentoonstellingen en publicaties. En is er een Engelse vertaling opgenomen. Als kers op de taart een klein fotoalbum met bijzondere momenten in de verzamelgeschiedenis. Het Drents is volgens Rens niet alleen een museum “voor kunst die af is, maar ook voor kunst die nog gemaakt moet worden. De collectie is dus verre van afgerond. Er is juist volop ruimte voor de blik vooruit met kunst die blijft verrassen en in alle opzichten springlevend is.”

    Gen F – 75 jaar figuratieve kunst. Verschenen ter gelegenheid van de tentoonstelling in het Drents Museum, 15 februari tot en met 17 augustus 2025. Teksten Harry Tupan, Annemiek Rens, Barber van der Laan. Uitgave Drents Museum / Waanders Uitgevers, 2025.

  • Matthijs Röling, de jongste van de oude meesters

    Eerlijk moet ik bekennen dat bij het vallen van de naam Röling ik als eerste dacht aan de extravagante Marte. De beeldhouwer en schilder die onder meer ook platenhoezen, postzegels, theaterdecors, wandschilderingen, affiches, kostuums, reliëfs en films ontwierp en zelfs een tram beschilderde. Een vrouw in de kunst derhalve die haar mannetje staat. Zij is echter de nicht van Matthijs Röling, over wiens werk onlangs een lijvig boek is verschenen. Matthijs wordt geroemd als de jongste van de oude meesters en is vorig jaar op 81-jarige leeftijd overleden. Zijn dromerige tuingezichten had ik als collectiebeheerder bij Museum Belvédère eerder door de handen om in een tentoonstelling aldaar op te hangen. Dat was dus mijn eerste kennismaking met zijn werk. Ik maakte er in coronatijd zelfs een korte film van, waarbij de mijmerende tuin van Matthijs Röling naast het realistische pruimenboompje van Jan Mankes werd getoond.

    De kunst waart door de familie Röling. Neef en nicht zijn begiftigd met het juiste talent om het leven te verbeelden. Meerdere leden hebben creatieve gaven. Weet Marte zich luidruchtig te manifesteren, Matthijs houdt zich min of meer afzijdig: het stille water met de diepe grond. Hij is een geboren schilder, die sentiment in zijn werk legt zoals Jan Mankes verstild en poëtisch zijn omgeving benaderde. Het onlangs verschenen boek, dat een catalogus bij zijn oeuvre zou kunnen zijn maar de gehele Röling-collectie van het Drents Museum bevat, geeft een goed inzicht in leven en werken van Matthijs Röling. Niet alleen is deze collectie van zijn schilderingen en tekeningen afgedrukt, ook wordt zijn leven in verhalen uitgedrukt. En tevens is er een beeldessay die een indruk geeft van het kleurige interieur van zijn huis in Ezinge. Aan de hand van de foto´s van Mischa Keijser kun je inlevend op de bank bij de haard gaan zitten, zoals ik langs de paden door de geschilderde tuin van Röling loop. Een totaalbeleving derhalve.

    Röling-collectie

    Wat altijd opviel was Matthijs’ grote liefde voor de schilderkunst die ontleend was aan de waarneming van de zichtbare werkelijkheid”, schrijft museumdirecteur Harry Tupan in het voorwoord. Tupan mag als een autoriteit op het gebied van het werk van Röling gezien worden. Hij houdt zich al 40 jaar intensief bezig met het werk van de kunstenaar en onderhield nauw contact met hem – was er kind aan huis zou je kunnen zeggen. In 2005 organiseerde Tupan de overzichtstentoonstelling Mimesis in het Drents Museum, waar in 1965 al de eerste museale tentoonstelling van de schilder plaats had. Mede door een schenking van achterneef Cees Röling bezit het Drents Museum, dat een podium van betekenis is voor Nederlandse figuratieve kunst, 114 schilderijen, tekeningen en schetsboeken van de meester, de grootste en meest belangrijke Röling-collectie ter wereld.

    De grote wens van het Drents Museum en niet in de laatste plaats die van Harry Tupan is in vervulling gegaan, namelijk om de gehele Röling-collectie samen te brengen in een boek. “Met deze publicatie eren wij één van de grootste Nederlandse kunstenaars die de moderne figuratieve kunst heeft voortgebracht”, prijst de algemeen directeur van het Drents Museum de uitgave dan ook aan. En het is met recht een eerbetoon daar het een prachtig boek is geworden, waar het museum trots op is en waar de kunstenaar – was hij nog in leven – ongetwijfeld verguld mee zal zijn geweest. Zijn werk komt er goed in uit, hoewel het uiteraard in het museum op zaal de beste beleving geeft.

    Een rebelse kunstliefhebber

    In de biografie “een rebelse kunstliefhebber” duikt kunsthistoricus Floor van Heuvel in het leven van Matthijs Röling en houdt diverse afgemeten perioden tegen het licht. Het ouderlijk huis, de kunstacademie, de eerste successen, het docentschap en de stormachtige samenwerkingen tot een rustiger leven geven onder meer een compleet beeld. Voor Röling was schilderen een vorm van therapie, schrijft Van Heuvel. “Dagenlang kon hij zich verliezen in een schilderij, om in de dagen erna weer mateloos enthousiast aan zijn studenten over kunstgeschiedenis te vertellen.” Bijna niemand had zoveel talent en kennis als Röling, daardoor kroop hij al te vaak in zijn eigen wereld en vergat zijn directe omgeving. Hij leefde de kunst en de kunst leefde hem. Hij was als het ware de kunst zelf. Hij is dood, maar leeft voort in zijn schilderijen. Bekijk ik de tuin in Ezinge door hem geschilderd, kan ik hem zo zien wandelen over het pad tussen de hagen en loop ik een stukje met hem mee. Of kijk over zijn schouder mee wanneer hij liggend naakt op gestreepte doek in olieverf op paneel zet. “In mijn schilderijen schijnt de zon, zijn geurige kruiden, vriendelijke dieren, mooie landschappen. Daar hoeven onze gedachten niet zo veel verder te gaan dan waar het heerlijk zwemmen is en waar de wijn overstroomt.

    Plekken waar je wilt zijn

    In het essay “Plekken waar je wilt zijn” betrekt Gijsbert van der Wal het zijn van Röling op het eigen wezen. Dat maakt zijn verhaal persoonlijk, tussen de regels door kan ik me er zelf in vinden. Van der Wal zoekt op internet een nieuwe woning, waarin hij kan leven en werken. Een woning in oude stijl, een huis als dat van Matthijs Röling, zo blijkt. Met de geschilderde interieurs in gedachten kijkt hij onbewust bewust in de woning om zich heen en keurt het al snel af wanneer oorspronkelijke details door moderne elementen zijn vervangen. Hij erkent dat hij geen ouderwets huis zoekt, maar een tijdloos onderkomen, een wereld vol welbehagen. Dat lijkt nu te verdwijnen en verleden tijd, terwijl het in de jaren dat Röling het vastlegde er gewoon was. “Een kalme, wat dromerige hippiewereld vol natuur, zonlicht en vanzelfsprekend naakt, die je ook kunt binnengaan in, noem eens wat, de gedichten van Rutger Kopland, de liedjes van Boudewijn de Groot, de verhalen van Fritzi Harmsen van Beek en Herman Pieter de Boer. (…) Er hangt wel af en toe een wietlucht in zijn interieurs en tuinen, maar er liggen goddank nooit yogamatten, en Boeddhabeelden uit de Xenos vind je er ook niet. Het is een wereld van ver voor de zelfhulpboeken en de life coaches op Instagram en TikTok.

    Van der Wal vindt dat huis niet waarnaar hij op zoek is. Zijn eigen woning heeft namelijk al die sfeer van Röling, het komt althans het dichtst in de buurt van wat hij zoekt. Hij heeft er een koninkrijkje van boeken, kunst en gezellige rommel gesticht, “hier zijn ook vloeren en vensterbanken waarover schaduwen schuiven. De blik waarmee ik naar mijn interieur kijk is mede door het werk van Matthijs Röling gevormd.” Als zijn kamers eenmaal in je hoofd zitten zie je er overal iets van terug, ervaart Van der Wal. Schilders als Röling herinneren ons eraan dat je eigen dagelijkse omgeving een onuitputtelijke bron van kijkplezier en levensvreugde is.

    Wat wil je nog meer?

    In het gesprek dat Harry Tupan een jaar voor zijn dood met Matthijs Röling heeft komen ook biografische elementen naar voren. Op deze manier, gegoten in een interview, leert de lezer de kunstenaar beter kennen omdat het zijn eigen woorden zijn waarin hij het leven vat. “Ik heb een heerlijk beroep. Soms vind ik een mooi plankje, schilder ik heerlijk een aantal uren in de tuin en dan krijg ik daar ook nog een paar duizend gulden voor. Wat wil je nog meer?” Tupan stelt duidelijke vragen waarin het lijkt of hij de gesprekspartner woorden in de mond legt. De heren kennen elkaar echter zo goed dat ze voor elkaar kunnen spreken. “Voor mij is het de realiteit proberen te vatten. dat is voor mij de essentie van mijn vak. (…) De fantasie mag je nooit vergeten, natuurlijk. En abstracte waarden spelen in alle kunst een rol. Alle kunst is abstract, maar niet non-figuratief.

    Met de woorden van de schilder krijgen de beelden in het boek een leven. Ze komen bij wijze van spreken in beweging door de formulering van de kunstenaar, door zijn zienswijze legt hij de beeldtaal in mijn ogenblik. “Ik heb altijd graag getekend. Dat is wel de basis van je werk, tekenen, zeker. Tekeningen zijn spontaner en directer dan schilderijen. (…) Ik heb het grote geluk gehad dat ik niet gehinderd ben in datgene wat ik het leukste vind en het beste kon. Enorm geluk.

    Matthijs Röling. Teksten Harry Tupan, Floor van Heuvel, Gijsbert van der Wal, Barber van der Laan. Beeldessay Mischa Keijser. Uitgave Drents Museum / Waanders Uitgevers, 2025.

  • De werkelijkheid onder controle bij Museum MORE

    De typografie in de titel van het boek heeft al de uitleg van het onderwerp in zich. Ik lees het zonder te haken op de verdraaide eerste E en tweede C in REALITY CHECK. In vluchtige blik schijnen de woorden normaal geschreven. Het lijkt te kloppen, maar de echtheid is verschillend aan mijn waarheid. Zo is het ook met de werkelijkheid, het doet zich onderscheidend voor aan wat ik zie. Kijk ik beter zie ik anders en wordt ik mij bewust van mijn eigen kijken. Zo moet ik voortdurend controleren of de realiteit wel echt is, of mijn waarheid wel universeel is of slechts individueel blijft. Wat is de grote gemene deler in het beschouwen van de werkelijkheid. Het is zoals het is, de realiteit, maar er is een abstracte laag achter en dat maakt de werkelijkheid persoonlijk met een eigen interpretatie. De echtheid die niet valt uit te drukken, dus abstract is; gevoel, herinnering,

    Museum MORE belicht het realisme van het voorgaande decennium, de tien jaar dat de instelling bestaat. De Nachtwacht bijvoorbeeld past dan niet in deze context. Maar het is wel een bijzonder historisch voorbeeld van hoe de realiteit werkt. De opdrachtgevers hadden een ander schilderij verwacht dan dat Rembrandt heeft afgeleverd. Zij hadden een andere voorstelling van de werkelijkheid dan de schilder heeft gehad. Hij bracht abstracte elementen in om de echtheid van het tafereel te waarborgen. Op eenzelfde manier leert mij de tentoonstelling “Reality Check”, maar vooral de uitgave daarbij waarin conservator Sito Rozema in een essay de werkelijkheid controleert, een vinger probeert te krijgen achter het begrip realisme.

    Rozema gaat de geschiedenis van de realiteit in de kunst na en komt tot de conclusie dat de hedendaagse realist met wisselende uitingsvormen vergaand reageert op de hedendaagse realiteit. De begrippen ‘echtheid’ en ‘waarheid’ staan daarbij vooral centraal. Want wat is realisme. De definitie van het realisme in de beeldende kunst heeft nooit onomstreden vast gestaan. De zichtbare werkelijkheid is onderhevig aan echtheid en waarheid. En de waarheid is dan weer ondergeschikt aan het persoonlijke perspectief. Volgens Rozema wil het realisme niet zozeer registreren, maar interpreteren, representeren en communiceren. Het gaat om mijn eigen kijk op de realiteit, die is verschillend aan die van mijn buurman. Daarom heeft niet alleen de werkelijkheid een andere invloed, maar geeft tevens het kijken naar een schilderij een verschillende indruk. Dat kunstwerk is de realiteit, die voor iedere beschouwer een individuele indruk geeft. De realiteit is een persoonlijke ervaring, een eigen invulling en verklaring op het zichtbare gegeven.

    Modern realisme

    Tegenwoordig, is ook de conclusie van de essayist, valt de werkelijkheid niet meer klakkeloos te vertrouwen. Voortdurend moet deze worden gecontroleerd op echtheid, klopt het wel wat ik zie. “In een onzekere wereld waarin ‘waarheid’ een relatief begrip lijkt te zijn geworden, maakt de realist met een duidelijk herkenbare vormentaal een persoonlijk statement over de vraag: wat is de werkelijkheid?” De kunstenaar manipuleerde altijd al de werkelijkheid, de kunst vervormt het zichtbare voortdurend in een eigen beleving. Maar krijgt nu concurrentie van kunstmatige intelligentie. Deze kan voor de kunstzonnige uitdrukking worden aangewend, maar daarmee begeeft men zich wel op glad ijs. Werd bij de opkomst van de fotografie de scheidslijn ook al meer onscherp, nog wel voortdurend was het duidelijk. Fotografie registreert de werkelijkheid zonder meer, kunst legt de persoonlijke beleving van de kunstenaar daar overheen. “Onze tijd vraagt om een realiteitsbesef, om heldere stellingen en eerlijke vertwijfelingen.”

    Museum MORE staat zich erop voor het moderne realisme te tonen. Daarmee heeft het zich in de tien jaar van haar bestaan inmiddels een volwassen plaats in het museumlandschap verworven. Het is daarom dat een tentoonstelling om de realiteit te duiden op de plaats is in Gorssel. Vijftig kunstenaars leggen in hun werk uit hoe zij de werkelijkheid ervaren en op welke manier zij deze gebruiken om verhaal te maken. In de uitgave komen zij aan het woord om in tekst uit te leggen waarom zij zichzelf al dan niet als realist zien. Daardoor houdt het boek het midden tussen een kunstuitgave en een leerboek. Door de uitleg daarin leer ik anders kijken naar de kunst van dit museum. Staat mijn blik afgestemd op deze werkelijkheid, die vrijwel nergens de mijne is maar toch als heel vertrouwd overkomt.

    Werkelijke werkelijkheid

    In de uitgave, dat minder catalogus en meer bijschrift bij de tentoonstelling is, worden de kunstenaars voorgesteld. Leer ik hen kennen in de manier van werken en de kijk op hun kunst. Alle hebben zij een onderscheiden en soms wel ambivalente voorstelling van wat de waarheid kan zijn. Altijd is de waarneming van de werkelijkheid het vertrekpunt, het fundament waarop het kunstwerk is gebouwd. De zichtbare dingen worden beschouwd zoals ze zijn of zich voordoen, deze worden gekoppeld aan herinneringen en ervaringen. De figuratie is in deze belangrijk, want het geeft toegang tot het werk als herkenbaarheid. De beschouwer komt door figuratie dichterbij de kunst zonder er moeite voor te doen. Pas dan kunnen abstracte elementen een rol gaan spelen, kleur, ritme, toon, licht en schaduw. Is de kijker gevangen in de identificatie dan kan de emotie worden aangesproken.

    Een werkelijke werkelijkheid bestaat er niet, stemming en ervaring maken er deel van uit – herinneren doet herkennen. Onze herinnering bestaat voor een groot deel uit beelden. Kunstenaars maken daar wel handig gebruik van door dergelijke beelden te mengen in de werken. Door dat kennen kunnen de beelden thuisgebracht worden, een plaats krijgen en innemen. Het net is alsof ik ze eerder zag, daar eens was – een déjà vu beleving die mij persoonlijk raakt waardoor automatisch de emotie wordt aangesproken. “Realisme biedt de kijker een vertrouwde bedding die het verhaal toegankelijk en herkenbaar maakt, waar abstractie juist een laag van ambiguïteit toevoegt”, weet de Indiase kunstenaar Abul Hisham. In een volzin slaat hij de spijker op de kop. “Dit spanningsveld maakt het mogelijk om op een subtiele manier complexe thema’s te verkennen, en de kijker uit te dagen om na te denken over wat ze zien in plaats van het simpelweg als feit te accepteren.

    Realisme gaat over werkelijkheid

    Overwegend zijn kunstenaars niet zo scheutig met het uitleggen van hun kunst. Of het in woorden benaderbaar maken van het werk, de compositie moet voor zichzelf spreken en zich zelfstandig duiden. Toch weet Sito Rozema het moment van bezinning over leven en werk in gesprekken met kunstenaars vast te leggen. Geven zij goedmoedig en spraakmakend aan waar het volgens hen over gaat. “Realisme gaat over de werkelijkheid zo getrouw mogelijk weergeven”, bedenkt Merel Jansen. “Naar mijn idee wordt er dan een duidelijk element vergeten: een schilderij gaat over de werkelijkheid gezien vanuit de ogen van de kunstenaar.” Kunstenaars gaan verder dan die werkelijkheid, ze willen iets tonen dat onzichtbaar blijft. Want hoe ziet liefde eruit, en hoe druk je rust uit, welke indruk geeft vrijheid of schoonheid. In de kunst kan dit worden weergegeven door kleur en vorm. Daarmee heeft de realiteit de abstractie nodig.

    Een kunstwerk reist in de gedachten van de kijker tussen voorstelling en voorstellingloosheid, want de beschouwer kent niet altijd wat hij of zij ziet – herkent het niet in eerste instantie. Het is kijken, begrijpen, weten en verwonderen. Het is een spel van zien en onderscheiden. Geprikkeld worden door anders te kijken, er langer bij stil te staan, er de tijd voor nemen. Dat is wat deze tentoonstelling de bezoeker zeker leert. In eerste instantie neemt de herkenning het voortouw, de zichtbare werkelijkheid die het realisme in deze kunst benaderbaar maakt. Maar daarna bij nadere beschouwing volgt er een erkenning van het werk, wordt door de huid heen gekeken in een diepere laag van emotie. Blijkt de werkelijkheid opeens vervreemdend, maar wel als verbeelding aanvaardbaar. Herken ik mezelf tussen de verftoetsen, lees ik mijn verhaal tussen de regels. Beleef ik de werkelijkheid gezien door de ogen van de kunstenaar. Ik heb mijn waarheid geverifieerd.

    REALITY CHECK. 10 jaar More, 10 jaar Realisme. Sito Rozema. Voorwoord Maite van Dijk. Uitgave Waanders Uitgevers i.s.m. Museum MORE, 2025.

  • Kunst om van te watertanden

    Het is te mooi om waar te zijn. En dat is het ook. Het water kan me in de mond lopen, ware het niet dat de hamburger en het bakje patat met mayonaise dermate groot van formaat zijn dat het onwaarschijnlijk is dat ze echt zijn. En wat te denken van het vet gebakken spiegelei dat tegen de wand geplakt is. De fles ketchup, het peper en zoutstel en het glas half leeg gedronken sinaasappelsap zijn zo mooi in verf verbeeldt dat het niet waar kan zijn dat het echt is. Maar toch zou ik het zo kunnen pakken om mijn eitje te zouten en het sap te drinken, zo waar heeft Tjalf Sparnaay het voor de eeuwigheid vastgelegd. In de traditie van het zeventiende eeuws stilleven gemengd met de vernieuwende popart maakt hij wereldvreemd maar o zo helder megarealisme schurend tegen het Amerikaanse hyperrealisme.

    De kunst van Tjalf Sparnaay was in het voorjaar van 2024 te zien bij Museum JAN in Amstelveen. Voor deze tentoonstelling werden een groot aantal werken van zijn hand samengebracht zodat sprake was van een overzichtelijke dwarsdoorsnede uit zijn oeuvre. De catalogus daarbij laat een deel van deze werken zien aangevuld met een levensbeschrijving en een toelichting op de schilderstijl. In gesprek met Karin van Lieverloo is de kunstenaar openhartig over zijn leven en werk. Vooral bekend en geroemd om zijn geschilderd voedsel, maakte hij in zijn werkbare leven meer dan spiegeleieren en broodjes hamburger.

    Tijd om anders te schilderen

    Met een scherp oog weet hij ieder detail van een door hem gekozen object te observeren en vast te leggen. “The Bigger Picture” was de titel van de tentoonstelling en is dit eveneens van het boek. “Het grote plaatje” slaat niet op de afmetingen van de meeste van Sparnaay’s werken, die vrijwel altijd immens zijn. Het grote plaatje ziet Tjalf wanneer hij terugkijkt op de jaren die achter hem liggen en waarin hij zijn stijl en techniek heeft geperfectioneerd en waarmee hij in de kunstwereld hoge ogen heeft gegooid.

    De grote tentoonstelling in Amstelveen markeert het 70e levensjaar van Tjalf Sparnaay. Het is een terugblik op wat hij voordien heeft gemaakt. Maar de kunstenaar zelf is niet zo van het terugkijken, hij wil vooruit zien en hoopt dat deze markering hem aanzet en inspireert om nieuw werk te maken met eventueel een ander kenmerk en divers inzicht. “Wie weet is het tijd om anders te gaan schilderen”, zegt hij daarover. “Misschien ga ik me focussen op het schilderen van de natuur.” Hij verlangt ernaar zijn talent opnieuw uit te dagen. “Misschien komt er helemaal niks uit, maar dan heb ik dat geleerd. Ik heb mezelf beloofd dat ik na mijn zeventigste alleen nog maar schilder wat ik leuk vind. Mijn hele leven lang heb ik gewerkt voor precies deze vrijheid.

    Magisch realisme en surrealisme

    Dat is begonnen met het olieverfdoosje dat Sparnaay als jongen van twaalf kreeg. Drie jaar later schilderde hij een impressionistisch landschap, een boerderijtje met wat bomen in de stijl van de Haagse School. Tjalf wist het toen al zeker: “Ik wil kunstschilder worden”. Hij heeft woord gehouden. Het vak heeft hij zichzelf aangeleerd, het tekenen en schilderen zelf eigen gemaakt. Hij is autodidact en nooit officieel geschoold. Met zichzelf als leermeester heeft hij voldoende gekeken naar anderen en gelezen over kunstenaars om zelf aan de slag te gaan. Hij voedde zich als het ware met hetgeen door de kunstgeschiedenis op zijn bord kwam, wat de voorgangers hem serveerden. En daar gaf hij een eigen draai aan, peperde en zoutte het op zijn manier en leverde een gerecht af dat smaakt.

    In eerste instantie is hij geraakt door het werk van magisch realisten en surrealisten. Hij is in zijn vroege werk schatplichtig aan bijvoorbeeld Carel Willink en Salvador Dali inspireert hem. Sparnaay schildert verstilde landschappen en onmogelijke architecturen. Ook dan is de structuur en stoffering al weergaloos echt en gedetailleerd, maar zijn te vertellen verhaal daarin zweeft boven de realiteit. Tjalf Sparnaay is in aanleg een fotograaf, dit talent gebruikt hij bij het schilderen. Fotografie is de onderliggende techniek om de stillevens niet van echt te laten onderscheiden. Daar wordt in de kunstscene weleens neerbuigend naar gekeken. Sparnaay: “Dat men nog altijd denkt dat ik dit allemaal uit mijn hoofd schilder. Vermeer had zelfs al een camera obscura als hulpmiddel om dat wat hij zag op doek te krijgen. Waar de foto ophoudt, begint mijn werk. Want natuurlijk moet je het fotografische beeld heel snel verlaten om een spannende voorstelling te maken.”

    Schijn bedriegt

    Het fotorealisme trekt hem naar New York. Daar is men enthousiast over zijn werk, maar er is een kanttekening. Hem werd geraden de ketchupflessen uit zijn werk te laten, “want dat kunnen we zelf ook wel. Maar die vaatwasser en die eieren: dat is je Hollandse schildersziel, daarin ben je uniek. Als je daar in de buurt blijft, dan is het hartstikke spannend en ga je iets toevoegen aan de schilderkunst. Want zoals jij om je heen kijkt, zoals jij eten schildert, dat doet niemand in de hele wereld.” En dat staat als een paal boven water wanneer ik door de catalogus blader. Het is weergaloos wat ik zie, net echt. Maar schijn bedriegt, want de flessen ketchup, de blikjes cola, de gebakken eieren, de al dan niet in plastic gepakte etenswaar, de bossen tulpen en de aangemaakte sla zijn zo plat als een dubbeltje: een verflaag op een linnen drager. Niets meer of minder, maar wel met een bijna onmogelijke precisie weergegeven, de illusie van de derde dimensie, zo zodat ik de luchtbel op de eidooier kan doorprikken, zo de ansichtkaart ‘Holland’ uit het rek kan pakken.

    Niet meteen staat iedereen te juichen bij het werk van Tjalf Sparnaay, maar wanneer hij de portretten van etenswaar tot mega grote schilderijen gaat opblazen komen langzaam maar zeker de handen op elkaar. Tegenwoordig heeft hij groot respons in binnen- en buitenland. Zijn levensdoel kunstschilder te zijn lijkt meer dan bereikt, maar hij wil verder. Veel van zijn werken kunnen gezien worden als aanklachten op de consumptiemaatschappij, als protest tegen de zee van plastic die het laat ontstaan. Maar hij laat ook doodgewoon gewone onderwerpen zien, waarachter het onderwerp en waaronder de verfhuid geen adder zit. De stillevens van zijn hand tonen geen haute cuisine maar laten het voedsel van de straat zien. De snelle hap, geen culinaire hoogstandjes. En de schillen en klokhuizen wanneer er gegeten is. Mede daardoor is het werk zo benaderbaar, het kenmerkt het leven, het ware zijn.

    Schilderijen met voedsel

    De schilderijen met voedsel zijn het meest bekende werk van Tjalf Sparnaay, maar het boek bewijst dat hij veel meer deed en doet dan dat. Het is een helder overzicht van wat deze Hollandse meester allemaal kan. Het bewijst dat je jezelf het niet eenvoudige vak van schilderen eigen kunt maken, wanneer jouw het juiste talent is gegeven. Sparnaay heeft dat talent en buit het tot de laatste kruimel uit. Het is een lust ernaar te kijken, het te beleven. En dus niet alleen het spiegelei wat hem de roem bracht, maar ook de eerdere werken die het mysterie van een hoger bewustzijn hebben slaan aan. De verlaten bouwwerken met dreigende luchten, de spiegeling in de benzinetank van een motor en de koplamp van een fiets, de in leer gestoken vrouwfiguur, de herenhuizen langs de gracht, de etalages, de kroket in de automatiek. Het normale leven krijgt uit het penseel van Sparnaay een abnormale uitstraling, een onwezenlijke inborst. Om van te watertanden.

    The Bigger Picture. Tjalf Sparnaay, schilderijen. Teksten Karin van Lieverloo, Simon McKeowin, Marieke Uldriks. Publicatie verschenen ter gelegenheid van de tentoonstelling in Museum JAN, Amstelveen van 16 februari tot en met 16 juni 2024. Uitgave Waanders Uitgevers Zwolle, 2024.

  • Op bedevaart met Jan Mankes naar het Van Goghhuis in Hoogeveen

    Een jarenlang onderzoek resulteert in een standaardwerk en een meer dan interessante tentoonstelling. Hoofdconservator Annemiek Rens dook in memorabilia, brieven en boeken om een onderbelichte periode in het leven van Vincent van Gogh nauwkeurig te kunnen beschrijven. Het Drents Museum daarop laat zien hoe een onderzoek beeld krijgt en levend kan worden. Tot en met 7 januari 2024 is in Assen de tentoonstelling ‘Op reis met Vincent – Van Gogh in Drenthe’ te zien. De publicatie met dezelfde titel is als catalogus en naslagwerk uiteraard langer door te bladeren, te bekijken en kan gelezen worden. Dat is het fijne van een onderzoek, een beschrijving of een catalogus: het houdt de herinnering vast wanneer het museum aan de volgende tentoonstelling toe is. Voor wie de tentoonstelling gemist heeft, het boek blijft. “Gelukkig hebben we de foto’s nog”…

    image

    De periode dat Vincent van Gogh in Drenthe is en werkt krijgt weinig aandacht in de reguliere kunstboeken. Het is een vrijwel onbekend hoofdstuk in de kunstgeschiedenis. Het wordt weggezet als minder belangrijk in vergelijking met zijn Franse tijd en de Nederlandse periode in Den Haag en Nuenen. Toch weegt het verblijf in Hoogeveen en Nieuw Amsterdam-Veenoord zwaar in zijn ontwikkeling als kunstschilder. In Drenthe beseft hij wat hij wil met zijn leven. Daar in de Drentse grond ligt zijn oorsprong als schilder, daar is het zaad van zijn kunstenaarschap ontkiemt. De mannen en vrouwen op het land, zwaar aan de arbeid, wekken zijn interesse en vormen zijn inspiratie. Hij gebruikt ze op afstand als model, want figureren wil de plaatselijke bevolking niet voor die rare man. In deze provincie ligt de basis van de schilderstijl die Vincent niet bij leven, maar later wereldberoemd heeft gemaakt.

    image

    Eigenlijk zal hij zich wel willen vestigen in Drenthe

    Vincent van Gogh is meer dan enthousiast over wat hij ziet wanneer hij in Hoogeveen uit de trein stapt. Door collega kunstenaars was hij op de schoonheid van deze provincie al attent gemaakt. Maar in dat moment zag hij het met eigen ogen. Hier was hij terug naar de natuur en zag hij de pure mens. Eigenlijk zal hij zich wel willen vestigen in Drenthe, omdat dit het mooiste is wat hem is overkomen schrijft hij in geuren en schetst hij in kleuren aan zijn broer. De omgeving tilt op van de inspirerende momenten en gelegenheden. Maar het klimaat zit Vincent tegen. Op 11 september 1883 komt hij aan, de nazomer is mooi maar de herfst is kil. Wanneer de winter invalt is het koud en loopt Vincent op 4 december in een zware storm vanuit Veenoord naar Hoogeveen om de volgende dag naar zijn ouders in Nuenen te reizen. Maar niet enkel de kou noopt hem zijn Drentse avontuur af te breken. Ook is hij eenzaam, voelt zich onbegrepen door de lokale bevolking en heeft geldzorgen.

    image

    In een onderzoek als deze stuit de onderzoeker op feitjes en wetenswaardigheden die anders verstoft in het archief blijven. Een schatkamer aan boeiende vindingen waarin je zoals de archeoloog op zoek in de piramide van Cheops de ene na de andere euforie beleeft. Zo’n aardige ontdekking is  bijvoorbeeld wanneer je leest dat Jan Mankes op huwelijksreis met zijn Annie Zernike in de voetsporen treedt van Vincent van Gogh door Drenthe. Als een soort van pelgrimstocht of bedevaart, want Jan was onder de indruk van het werk en levensverhaal van Vincent. Ook Mankes was op zoek naar een bepaalde bezieling in zijn werk en ook hij vond deze in de natuur en het leven op het land. In het oeuvre van Mankes is de invloed van Van Gogh terug te vinden. Rens noemt het opmerkelijk dat Mankes ervoor koos 30 jaar later de Drentse sporen van Van Gogh te volgen, omdat in de literatuur over de schilder de periode in deze provincie nauwelijks aan bod komt. Er was weinig over bekend, maar aan de hand van de in zijn tijd openbaar gemaakte brieven aan Theo was Mankes in staat een tocht uit te zetten.

    Het landschap bood hem rust en inspiratie

    Deze tocht doet hoofdconservator Annemiek Rens voor haar onderzoek en in haar boek nog eens dunnetjes over. Zij miste, tussen de talloze uitgaven die inmiddels over leven en werken van Vincent van Gogh zijn verschenen, een boek waarin vanuit een kunsthistorische en eigentijdse invalshoek naar de Drentse periode wordt gekeken. “Maar ook een studie waarin de betekenis van dit werk binnen het gehele oeuvre aan bod kwam. Een publicatie die als naslagwerk zou kunnen dienen binnen het internationale Van Gogh-discours, en tegelijkertijd interessant en leesbaar was voor een breder publiek.

    image

    Rens heeft gezorgd dat er nu zo’n standaardwerk voor mij opengeslagen op tafel ligt. Haar diepgaande en dus gedetailleerde onderzoek belicht de maanden waarin de schilder zichzelf opnieuw heeft uitgevonden. Drie maanden in afzondering van de kunstwereld hebben hem ruimte gegeven om na te denken over het kunstenaarschap. “Het landschap bood hem rust en inspiratie om te experimenteren met thema’s en techniek. De periode legde een belangrijke basis in de zoektocht naar zijn lotsbestemming.”

    In Drenthe ging Van Gogh terug naar de natuur en naar het pure individu, want in de stad was de mens volgens hem te veel gericht op uiterlijk in plaats van op hun innerlijk. Hoewel hij in de stad gefascineerd was door de arbeiders in de fabrieken, hij tekende en schilderde hen op allerlei manieren, wilde hij terug naar de basis. De arbeiders op het land werden zijn modellen. Aan zijn broer Theo schreef hij voor zijn vertrek: ‘Ik wou wel eens met de natuur alleen zijn – zonder stad.’

    image

    Het boek zal als reisgids kunnen dienen

    Het boek waarmee ik thuis op de bank in de voetsporen van Vincent kan treden schetst eerst de situatie van de provincie in de tijd dat Van Gogh daar rondzwierf. Het had twee gezichten. Het oude boerenbestaan, de woeste gronden en de pittoreske dorpjes tegenover een provincie die volop in ontwikkeling was. Een provincie die bij veel stadsmensen gevoelens van nostalgie opriep naar een wereld die in hoog tempo verdween. Maar ook een provincie waar kapitaalkrachtige verveners de wereld letterlijk op zijn kop zetten, waar grote infrastructurele werken tot stand werden gebracht en waar het boerenbedrijf zich steeds meer op de internationale markt richtte. “In die veranderende wereld zocht Van Gogh zijn eigen weg.”

    Daarna graaft Annemiek Rens zich diep in het Drentse avontuur van Vincent en ga ik met haar als gids op reis door het Drenthe van Van Gogh. Naast de informatie teksten is er naarstig gezocht naar afbeeldingen van werken die de schilder in de provincie heeft gemaakt. Het meeste daarvan is achterhaald, maar er blijven gaten vallen. Vincent schreef aan broer Theo wel over werk dat hij wilde maken, maar dat niet is terug te vinden. Het boek geeft een overzicht van wat er bekend is en welke omzwervingen deze werken hebben gemaakt om uiteindelijk daar te komen waar ze nu zijn. Het Drents Museum heeft vele daarvan in bruikleen genomen om te kunnen tonen in de tentoonstelling. Net als de publicatie geeft het museum een bijzonder historisch beeld van Drenthe rond 1883. Een interessante ondergrond om vervolgens het pad dat Van Gogh er is gegaan te volgen. Het boek zal als reisgids kunnen dienen voor de eens door Jan Mankes afgelegde bedevaart. Een pelgrimage naar Logement Albertus Hartsuiker, nu in Hoogeveen bekend als het Van Goghhuis. In dat pand heeft Vincent tijdens zijn verblijf in Drenthe een slaapplek op zolder gehad, voor een gulden per nacht. Een plaquette in de voorgevel maakt dit duidelijk.

    Op reis met Vincent – Van Gogh in Drenthe. Tekst en eindredactie Annemiek Rens. Met een bijdrage van Mark Goslinga en Jan van Zijverden. Catalogus bij tentoonstelling in Drents Museum van 11 september 2023 tot en met 7 januari 2024. Uitgave Waanders Uitgevers, 2023.

  • Er staat niets teveel op de tekeningen van Dirck Nab

    De afbeelding op het omslag van het boek ‘Getekend landschap’ is meest karakteristiek voor de inhoud. Tekenend eigenlijk. Dat tekenen doet Dirck Nab zijn hele leven om door te dringen tot de essentie van het landschap. “Om iets ongrijpbaars vast te leggen, een moment in de voortschrijdende tijd.” De kunstenaar zit, opgenomen door het helmgras, te werken in een duinlandschap. Dat moment toont de foto op de voorkant van het boek. Het tekenpapier op de knieën, het krijt geconcentreerd in de aanslag, een scherpe blik scant de omgeving. Dirck Nab is dit landschap, dit landschap is Dirck Nab. Hij voelt zich er door opgenomen en kan daarom van binnenuit de Hollandse bergen vastleggen, portretteren. Hij is geen toeschouwer, geen toerist of zonaanbidder die vanuit een duinpan de wolken over de zee ziet trekken. Hij bewoont het duin, hij is het duin. Dat standpunt geeft hem toegang tot het wezen, de essentie van de door wind en water opgestuwde en groen begroeide zandheuvels.

    Zo vergaat het Nab in de duinen

    De kunstenaar beschouwt een leven lang zijn omgeving, waarvan hij de meeste tijd deze vastlegt op kunstzinnige wijze. Huigen Leeflang, conservator Rijksprentenkabinet van het Rijksmuseum Amsterdam, merkt in het boek daarom op dat er weinig mensen zijn die zoveel in de Noord-Hollandse duinen hebben rondgedwaald en ze zo indringend hebben geobserveerd als Nab. “En dat dan ook nog bij zo’n beetje ieder type weer. (…) wanneer hij de kleumerige tochten beschrijft die hij zelfs bij storm en vorst onderneemt om verschillende weersgesteldheden vast te leggen, kan men niet anders dan onder de indruk raken van zijn gedrevenheid.

    En zijn vermogen om ieder landschap te benaderen, alsof hij het voor het eerst ziet, dwingt bij Leeflang bewondering af. Zoals een liefde, hoe lang al voortdurend, steeds nieuwe inzichten geeft. Nooit wordt het een sleur of ben je erop uit gekeken. Dat is het pas wanneer je niet meer goed kijkt. Dan ontdek je niets nieuws meer, dat wat je voorheen nog niet gezien had. Ook door minder goede tijden kijk je heen, bij storm en onweer, want je weet dat achter de wolken altijd een zon schijnt. Zo vergaat het Nab in de duinen. Elke dag geeft een nieuw inzicht. Ieder moment heeft een ander gezicht, een verandert voorkomen. Zo blijft het interessant wanneer je verder kijkt dan je neus lang is. Om die pol helmgras ziet, verder kijkt dan de rand van die duinpan. Er gebeurt zoveel meer tussen zee en land.

    De golvende zee laat een gedicht aanzwellen

    De uitgave “Getekend landschap” is in een liggend formaat gedrukt. Op deze manier komen de horizontale tekeningen het best tot hun recht. Het is net alsof ik het schetsboek van Nab doorblader. Het boek bevat veel beelden en weinig woorden. Want de tekeningen van Dirck Nab hebben weinig beschrijving nodig. Er zijn wat flarden uit een dagboek van de kunstenaar afgedrukt, of althans zijn herinneringen van toen en daar ooit. Het geeft een summiere inkijk in zijn leven zonder een biografie te zijn. En er gaan enkele poëtische omschrijvingen in het boek mee. De landschappen aan zee stemmen natuurlijk lyrisch. Op de tonen van de wind zet je als vanzelf een lied aan. De golvende zee laat een gedicht aanzwellen. Eigenlijk is het tekenwerk van Dirck Nab een poëtische vertaling van de omgeving. Niet in woorden maar in beelden. Geen letters maar lijnen. Geen punten en komma’s maar stippen en strepen.

    De tekstuele bijdragen reiken woordloos verder dan de gedrukte zinnen en alinea’s. Tussen de regels door lees ik hoe geconcentreerd en gedreven Dirck Nab de wereld om hem heen vastlegt. Alleen in de natuur, zittend op de grond met zijn tekenmap en een stuk krijt, op een plek waar iedereen aan voorbij loopt. Nab laat mij zien waar ik normaal gesproken overheen kijk, wat mijn ogen niet opmerken. Omdat mijn blik alleen de einder ziet, dat punt waar ik naartoe wil, wat mijn doel is. Daardoor zie ik niet wat er voor mijn voeten is, merk ik niet de schoonheid van het detail op. Mijn blik staat op oneindig, mijn verstand op nul. Nab toont mij dat er zittend tussen het gras zoveel meer is. Dat duinen niet alleen begroeide heuvels zijn, maar dat er daar een wereld voor me open gaat wanneer ik werkelijk met open ogen durf te kijken. Het staat er niet met zoveel woorden in het boek geschreven, maar ik kan het er wel uit op maken. Vooral wanneer ik de diversiteit aan de door Nab gespotte natuur doorblader.

    Nab treedt het landschap tegemoet met een waakzame, naïeve houding

    In de tekeningen kan ik binnenstappen, er in ronddwalen. De wind waait, briest zacht of valt hard over de top van het duin. Ik krijg nergens het deksel op de neus, want er is altijd een weidse blik. Het zand glooit als de hoge golven voor de branding. Nab schetst de omgeving. Wel in detail, maar ook met snelle bewegingen. Er staat nergens teveel op de tekening, de kunstenaar raakt de essentie van het landschap. Op een dramatische wijze, theatraal. Telkens is de sfeer uiterst sfeervol uitgewerkt. Hij benadert niet het landschap, Nab is het landschap.

    Vanuit dat standpunt, dat gezichtsveld, maakt hij in iedere tekening een zelfportret. De lijnen die in alle rondingen duinen vormen en wolken daarboven, de zee aan de einder, dat is de kunstenaar zelf. In abstractie kijkt hij in de spiegel en schouwt zichzelf. En ik zie een duinlandschap met menselijke trekken. Er is geen leven met kloppend hart te zien; een haas springt niet weg, een vogel vliegt niet over, de muis draaft niet weg voor de klauwen van de uil. Het is er stil. Kalm. Zelfs de wind is gaan liggen, naar het schijnt tegen de flanken van het duin tussen het helmgras.

    Tot slot probeert Nab in drie alinea’s het tekenen te omschrijven. Zijn tekenen uit te leggen. Met uiterste concentratie gaat hij op in het onderwerp, waarbij niets hem mag afleiden. “De ogen en het gevoel werken samen met de hand, die het uitvoerende werk doet.” Hij vermijdt schilderachtigheid. Net als sentimentaliteit dat de tekening oppervlakkig maakt. Nab treedt het landschap tegemoet met een waakzame, naïeve houding. “Om iets ongrijpbaars vast te leggen, een moment in de voortschrijdende tijd.” Zoals jonge kinderen dat soms kunnen, schrijft hij. Je hebt een heel leven nodig om daar achter te komen en dat te bereiken. En is Dirck Nab daar nu, na 83 jaar, achter gekomen hoe dat werkt? Hij leert nog steeds. Probeert door te dringen tot de essentie van het landschap. Met losse handen tekent hij zonder na te denken. Maar wel geconcentreerd, omdat alles wat op het papier komt moet kloppen. “Er moet niets teveel op de tekening staan.”

    Getekend Landschap. Dirck Nab. Teksten Huigen Leeflang, Sjoerd Kuyper, Dirck Nab. Poëzie Ineke Holzhaus, Harry ter Balkt, Theo Olthuis, Fernando Pessoa. Waanders Uitgevers, 2023.

  • Kunstenaars zeilen op een nieuw kleurkompas

    Het is een tijd van verandering. De wereld schiet een nieuwe eeuw in. Gaat onwetend op naar een derde millennium. Maar voordat het zover is staat er nog veel te gebeuren. Achteraf bekijken wij dat van een afstand, het is aan ons vooraf gegaan. We zien de lijnen lopen en kunnen van het verleden leren. Maar goed, aan het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw en later volgen de veranderingen zich in rap tempo op. Nog nooit is het gezicht van de wereld zo drastisch gereconstrueerd als in de afgelopen eeuw. Soms herkende de aarde zichzelf niet meer na deze facelift.

    Door bijvoorbeeld industrialisatie en technische vooruitgang groeide de welvaart, door emancipatie werd de vrouw meer zelfstandig, de politieke houding wijzigde, de mensen werden mondiger. Het was al met al een ware omwenteling. In deze smeltkroes van veranderingen liet de kunst zich niet onbetuigd. Kunstenaars zetten zich af tegen de traditie en sloegen een eigen autonome weg in. Zij lieten zich niet meer leiden door een opdrachtgever, maar bepaalden zelf inhoud en vorm van hun werk. Ze stonden kritisch ten opzichte van de maatschappij en protesteerden fel tegen de gevestigde orde. Men zocht voortdurend naar nieuwe vormen, wat leidde tot een veelheid aan meestal abstracte kunststijlen in de eerste helft van de 20e eeuw. Al deze stromingen zochten naar een nieuwe – moderne, maar ook universele beeldtaal. Men ging minder uit van de werkelijkheid en zocht een manier het eigen gevoel te verbeelden.

    Liefde voor kleur, Waanders Uitgevers, Museum Singer Laren

    De waarneembare werkelijkheid werd vervormd en verkleurd

    De kunstenaars bevrijden zich van de plicht om de zichtbare werkelijkheid zo natuurgetrouw mogelijk weer te geven, lees ik in het voorwoord tot de uitgave ‘Liefde voor kleur’. De catalogus bij de tentoonstelling in Museum Singer Laren, een presentatie met als kern een revolutionair kleurgebruik. Voor die tijd althans subversief, de wisseling van de eeuwen – het fin de siécle. Conservator Roby Boes construeerde voor boek en tentoonstelling een verhaallijn in zes thema’s. Boes gaat in op aspecten van het moderne leven rond 1900 en laat nieuw licht schijnen op de kunstwerken die een ongekend kleurgebruik gemeen hebben. “De kunstenaars vertikten het om nog langer kunst te maken die voldeed aan de opgelegde normen van de academies”, gaat museumdirecteur Jan Rudolph de Norm verder in zijn voorwoord. “Ze keerden de officiële Salon de rug toe, groeperen zich in kunstenaarsverenigingen en richtten eigen tentoonstellingen in, waar ze hun nieuwe kunst over het voetlicht brachten.” Het bracht in eerste instantie veel ophef teweeg, liefhebbers en critici moesten niets hebben van die nieuwlichterij. De waarneembare werkelijkheid werd vervormd en verkleurd. Het individuele gevoel en stemming spraken voor zich. En dat was wennen voor het oog dat tot dan liever de traditie als inspiratiebron zag.

    Liefde voor kleur, Waanders Uitgevers, Museum Singer Laren

    Ook in de kunst volgde de ene vernieuwing de andere op. Het kunstbeeld evolueerde even snel als het tijdsbeeld dat deed. Het is een woelige periode waarin het oude snel heeft afgedaan en het nieuwe morgen weer belegen is. In het boek “Liefde voor kleur” worden deze stadia nader toegelicht en bijgelicht door een groot aantal afbeeldingen. Voorbeelden om de teksten te verlevendigen. Uiteraard in kleur, want daar draait het in boek en bij tentoonstelling vooral om. Een vrij beeldkompas in vergelijking met datgene dat daarvoor in de kunst gebeurde. De kleuren van het zonlicht werden toegepast “in een puurheid zoals wij die in de natuur slechts zelden kunnen ervaren”. Want de kunstenaars lieten zich minder inspireren door de omgeving op zich, maar meer en eerder door de emotie die ze zelf bij deze werkelijkheid hadden. Dat gevoel probeerden zij te verbeelden. En daarvoor dienen zich aldoor nieuwe stromingen aan om die ervaring zo goed mogelijk weer te geven en vast te leggen.

    De stemming werd vrolijk en kleurig

    In zijn voorwoord doorloopt De Lorm de ontwikkeling in een notendop om niet het gras voor de voeten van Boes weg te maaien. Zij laat de liefde voor kleur in een zestal thema’s de revue passeren. In die verhaallijnen is het onderwerp minder de kunstenaar, maar laat de kunst zich als leidraad gelden. Het motief in ieder hoofdstuk is het terrein waarop de kunstenaar zijn of haar kunst maakt. Ze schrijft over het huiselijk geluk, omdat de kunst zich meer naar binnen richt dan dat het voorheen de buitenkant liet zien. Ook binnenshuis liet het beeld de kijker niet toe en voelde deze zich voyeur, een gluurder. Maar later mocht de beschouwer door de voordeur komen en aan tafel aanschuiven. De stemming werd vrolijk en kleurig. De kunstenaar stond de kijker toe in zijn intieme wezen. Zo ook krijgt het landschap bezieling waar het daarvoor een anekdotisch verhaal betrof. De kleuren begeesteren de omgeving, geven leven aan de werkelijkheid. Niet door het af te beelden zoals het zich zichtbaar aan ons voordoet, maar op de manier dat het op de kunstenaar overkomt. Hoe deze het ervaart, beleeft. Hij of zij schept een wereld die alleen in de gedachte kan bestaan. Om daar beeld aan te geven kruipt de kunst in het hart van de beschouwer, stroomt het door het bloed en maakt gevoel zichtbaar.

    Liefde voor kleur, Waanders Uitgevers, Museum Singer Laren

    De veranderingen in de maatschappij maakten het mogelijk dat mensen zich makkelijker over grote afstanden konden verplaatsen. Er ging een wereld voor de mensheid open. Ze zouden dan zijn waar ze wilden maar voorheen moeilijk konden komen. Zo kon ook de kunstenaar het blikveld vergroten en meerdere onderwerpen aanboren. Het ‘uitwaaien aan zee’ is een puur Nederlandse uitdrukking en laat zich niet figuurlijk overzetten in een of andere taal. De Nederlander gaat naar het strand om zich te verpozen. Om zich op te frissen aan zee en in de branding te zwemmen, hoewel dat aan het begin van de 20e eeuw nog niet zo eenvoudig was. De kunstenaar ging in het kielzog van de recreant mee. Want aan zee is de puurheid van het zonlicht zeker te vinden.

    Een fontein van tinten

    De wetenschappelijke en technische ontwikkelingen hadden veel invloed op de voortgang en groei van de toegepaste kunst en architectuur. Er kwamen radio’s, telefoons, auto’s, treinen en stoomschepen. Met fotografie en film legde men bewegingen vast en inspireerde kunstenaars. Naast gewapend beton, gietijzer en staal kwamen er kunststoffen als bakeliet. De vormgeving kon daarmee steeds moderner worden. Architecten bouwden steeds hoger, door skeletbouw werden ook grote raampartijen mogelijk. Zij creëerden een menswaardiger woonomgeving voor arbeiders. Het nieuwe stadsgevoel was aanleiding om de blik van het landschap af te wenden en de straten en pleinen te schilderen. Zo bleef het onderwerp dichtbij huis en inspireerde het uitgaansleven mateloos.

    Mensen op de kermis en in het circus werden gegroepeerd en geportretteerd. Want daar waar de mens zich tracht te verpozen viert de vrolijkheid hoogtij. Daar is een explosie aan kleuren te vinden, een fontein van tinten. Daar kon de kunstenaar zijn of haar gevoel delen en de beleving expressief uitbeelden. Het nachtleven had een voorkeur. De genietingen aan tafels en langs bars. Door het baanbrekende en grensverleggende gebruik van sprekende kleuren schreeuwden de afbeeldingen zich van doek en papier. Vooral de uitgaande mens is daarin onderwerp, de beleving van de sensatie en verwondering valt van gezichten af te lezen.

    En dan komt de vrouw in beeld. “De vrouw en het vrouwelijk naakt in het bijzonder is voor kunstenaars altijd een geliefd onderwerp geweest”, schrijft Roby Boes. Ze besteedt aan die fascinatie dan ook een bijzonder hoofdstuk. Het boek eindigt opvallend met de platte geometrische vlakken in primaire kleuren van Chris Beekman. Deze kunstenaar luidt met anderen een nieuwe tijd in. In het interbellum, de tijd tussen de beide wereldoorlogen van de vorige eeuw, streeft hij via zijn kunst naar een betere wereld. Het is een zoektocht naar een manier om de kunst, de maatschappij en de strijd van de arbeidersklasse dichter bij elkaar te brengen. De kunst werd politiek geladen en hees zich op de barricaden. Maar stond wel op de schouders van wat zich daarvoor in de kunst had afgespeeld. Zoals iedere stroming schatplichtig is aan de vorige.

    Liefde voor kleur, Museum Singer Laren

    Jan Rudolph de Lorm sluit zijn voorwoord met “dit is een uitgelezen moment om te gaan genieten van een kunstverzameling waarin licht en ,liefde voor kleur de hoofdrol spelen. Alle getoonde kunstwerken zijn uitingen van gevoel en tekenen van vrijheid. Laten we ons hieraan laven nu zich donkere wolken samenpakken en de vrijheid van velen onder druk staat.” In de tentoonstelling is deze vrijheid van vormgeving en kleur tot begin september te beleven in Museum Singer Laren. Het boek doet voor thuis deze ervaring nog eens dunnetjes over.

    Liefde voor kleur. Gestel, Sluijters, De Smet en anderen. Tekst Roby Boes. Uitgave Waanders Uitgevers in samenwerking met Singer Laren, 2023.

    Liefde voor kleur, omslag, Waanders Uitgevers, Museum Singer Laren
    Liefde voor kleur, Waanders Uitgevers, Museum Singer Laren
  • Met Ignace Schretlen op pad over de kruisweg naar het lijden

    Misschien schept afstand een objectief oordeel. Niet deelnemer zijn om een mening te geven. Of verwordt je dan tot de supporter van het voetbalspel. De beste stuurman aan de wal. Ben je te heftig bevooroordeeld wanneer je juist niet in het team speelt. Als de groep je heeft buiten gesloten of jij zelf de deur hebt dicht gedaan. Hoe dan ook schrijver, kunstenaar en huisarts Ignace Schretlen was katholiek en beleed dat streng als kind. Alles werd aangenomen als zoete koek. Maar door het leven getekend distantieert hij zich van dat geloof. Niet dat hij geen besef heeft dat er meer is tussen hemel en aarde, dat na lijden en dood er geen einde is. Maar de manier waarop de kerk dat uitstraalt is minder zijn gedachte. Hij staat langs de kant en is wellicht daarom gerechtigd een boek als “Lijden” te schrijven. Minder gekleurd door een geloven of een religie, maar gestoeld op kennis en wetenschap.

    Ignace Schretlen, kruisweg, lijden, laatste avondmaal, Jeroen Bosch

    Wie is die man die op onderzoek gaat naar hoe en wat. Een ontdekkingsreis aanvangt naar de eigentijdse visies op de kruisweg en het laatste avondmaal. “Voor het conservatorium had ik onvoldoende talent”, stelt Schretlen zichzelf voor, “de kunstacademie en studie Nederlandse taal- en letterkunde boden volgens mijn ouders geen toekomstperspectief. Het werd uiteindelijk geneeskunde, gevolgd door filosofie. Mijn werk als huisarts, publicist en kunstenaar heb ik nooit los van elkaar gezien. Vanuit drie kanten krijg je zicht op de condition humaine (het lot van het mensdom), waarin lijden centraal staat.”

    De wortels van het lijdensverhaal

    Die verschillende standpunten zijn de pijlers waarop het geschrift ‘Lijden’ rust. Het geeft een goed fundament om de heiliging van deze gebeurtenissen uit de kruisweg betekenis te geven. De passie van Schretlen voor het lijdensverhaal van Jezus heeft een familiair trekje. Een bekende kruisweg circuleert in de familie, moeder ervoer de staties als afschrikwekkend. Maar voor de jonge Ignace waren de platen zo indrukwekkend dat hij nu voor zijn boek eerstens op zoek gaat naar de wortels van het lijdensverhaal. Om dat verleden dan te kunnen plaatsen in het heden.

    Ignace Schretlen, kruisweg, lijden, laatste avondmaal, Servaes

    In mijn reis door het boek ‘Lijden’ leidt Schretlen mij eerst over de weg van het lijden. Langs de geschiedenis van de kruisweg. Doet hij onderzoek naar het laatste avondmaal als pleisterplaats van de christelijke religie. Ontrafelt als een patholoog-anatoom het raadsel van het lijden. Het mysterie rond de dood. Daarbij is de kunst een middel om de emotie te stroomlijnen, onder controle te krijgen. Daarin kan de kunstenaar zijn eigen gevoel kwijt. En kan ik mijn gevoel ernaast leggen of er tegenaan laten leunen. De afbeelding kan wreed zijn, niets ontziend en alle details tonen van een menselijke realiteit. Maar het kan ook, zonder de werkelijkheid uit te beelden, mij pakken in mijn diepste zijn. Kunst hoeft niet voor te kauwen of uitleg te geven, juist zonder veel te zeggen heeft het een groot verhaal. Het moet op het gevoel werken en hoeft niet oogstrelend te zijn. In gelaagdheid spreekt het boekdelen. Daar waar de leegte getoond wordt raakt het aan de bodem van de put.

    Moderne martelgangen

    De kruisweg, dat is een lijdensweg ofwel een martelgang. Het appelleert aan het bloederige pad waarover Jezus door Jeruzalem liep naar Golgotha, de plaats waar hij werd gekruisigd. De kruisweg, want hij droeg zijn eigen kruis dat steeds zwaarder woog op zijn schouders. Zo gaat ieder wel een kruisweg in zijn leven. En weegt het kruis zwaarder naarmate de lijdensweg langer en het einde schijnbaar uitzichtloos is. Het Bijbelse lijdensverhaal dient als maatstaf voor moderne martelgangen. Al snel wordt een grote prestatie die met bloed, zweet en tranen is volbracht als kruisweg aangeduid. Zo haalt Schretlen als voorbeeld aan de eerste, mislukte, poging van Maarten van der Weijden de elfstedentocht te zwemmen. Daar zat niet alleen een Spartaanse krachtmeting achter, een uitermate enorme sportprestatie, maar zeker ook het schuldgevoel dat hij wel was genezen van leukemie terwijl andere kankerpatiënten hun ziekte met de dood moesten bekopen. Hij kan al te gemakkelijk als een moderne Jezus worden afgeschilderd die het kruis van al die patiënten op zich nam, maar het is eerder een boetedoening voor de schuld die hijzelf voelt maar onterecht is. Daarbij moest hij lijden, was de tocht een martelgang. En moest hij voortijdig stoppen met de euforie van het einde in zicht. Het werd een afgang voor hemzelf, maar de wereld lag aan zijn voeten.

    Ignace Schretlen, kruisweg, lijden, laatste avondmaal

    De uitdaging die Maarten zichzelf oplegde is een modern lijdensverhaal. Om die omschrijving te duiden duikt Schretlen in de historie en verwoord de traditionele kruisweg. Dit is een beeldverhaal, een strip met 14 plaatjes – de staties, gebeurtenissen om bij stil te staan. Een uitleg in beeld om de ongeletterde kerkgangers het lijden te laten invoelen. Overigens was de taal die gebezigd werd het Latijn, en deze was ook niet bekend aan een ieder. Maar de kruisweg is niet voorbehouden aan het interieur van de kerk. Ook buiten in het veld treft men als wegkruis, een meditatieve plaats om even in te houden van de dagelijkse voortgang. Het kruis als symbool wordt op veel plekken en in diverse situaties gebruikt en misbruikt. Het christelijk vignet is een werelds beeldmerk geworden. Het lijden van Christus is misschien wel het meest tot de verbeelding sprekende verhaal in de Bijbel. Iedereen kan zich daar wel een voorstelling van maken, omdat lijden iets puur menselijks is. Dat lijden, die kruisweg, is een bron van inspiratie voor kunstenaars, schrijvers, dichters, componisten. Er is door de jaren een rijke schakering aan persoonlijke kruiswegen ontstaan. De 14 staties vormen een klankbord, bieden troost en perspectief en zijn voor velen een weg van hoop. Ignace Schretlen somt daarvan een aantal historische lijdenswegen en eigentijdse interpretaties op. Als huisarts gaat hij nader in op de kunst van het lijden, maar vooral als kunstenaar belicht hij het lijden in creatief perspectief.

    Ignace Schretlen, kruisweg, lijden, laatste avondmaal

    De angst, de pijn, de dood

    Uiteindelijk gaat Schretlen zelf los in zijn beeldend duiden van het onderwerp in zijn boek. En lijkt dat boek een motief om zijn kunst gedrukt te krijgen. Hij is diepzinnig bezig met dat lijfelijk en geestelijk ondergaan van pijn. Een doodsangst die hij in zijn professie dagelijks beziet en voelt. De schreeuw om hulp, het krijsen van angst, de gil van ontzetting is uit het schilderij van Edward Munch gebruikt als beeldmerk voor de kruisweg die Schretlen vastlegt. In zijn werk verbeeldt hij de angst, de pijn, de dood. Vooral in die verbeelding, van pijn, raakt de kunstenaar het gevoel. De emotie zit in het abstracte zijn meer dan in de stripachtige tekening of de bewerkte foto. Wel weet Schretlen waar hij het in zijn kunst over heeft, het heeft grond van bestaansrecht. Want hij heeft vooraf een gedegen fundament gelegd door zijn anatomie van de geschiedenis van de kruisweg te duiden. De uitgave ‘Lijden’, eigentijdse visies op de kruisweg en het laatste avondmaal, is een boeiend en op diverse bladzijden aangrijpend verhaal.

    Ignace Schretlen, kruisweg, lijden, laatste avondmaal, leonardo da vinci

    Of zoals Ignace Schretlen het zelf in zijn nawoord zegt: “Ofschoon wij allemaal met lijden te maken krijgen en we dagelijks geconfronteerd worden met het lijden van anderen, keren we het onderwerp het liefst de rug toe. Wij willen niet dat ons goede humeur hierdoor wordt verstoord. Voor lijden is geen plek in een al te rooskleurig afgeschilderde belevingswereld. Lijden vraagt om aandacht – maar die geven wij liever aan dingen die leuker zijn. Zelfs in de spreekkamer van dokters rust op lijden vaak een taboe. Wie zich waagt aan dit boek, moet vooroordelen opzijzetten en weerstand overwinnen.”

    Lijden. Eigentijdse visies op de kruisweg en het laatste avondmaal. Ignace Schretlen. Waanders uitgevers, 2023.

    Ignace Schretlen, kruisweg, lijden, laatste avondmaal, leonardo da vinci

  • Een leven vol kunst, een leven voor kunst

    Biograaf en vriend Johan Huizinga had al vrijwel meteen na de dood van Jan Veth een complete biografie van de kunstenaar geschreven. Dit boek vormde voor de schrijvers van de rijk geïllustreerde uitgave “Het oog van Jan Veth” een goede voedingsbodem. Deze uitgave is verschenen ter gelegenheid van de eerste grote overzichtstentoonstelling in het Dordrechts Museum rondom deze in Dordrecht geboren schilder en kunstcriticus. Huizinga stelde zijn levensbeschrijving op in de waan van zijn tijd. In de Nederlandse spelling van de jaren 20 van de vorige eeuw. En zijn kijk, kennis en vriendschap kleurde het taalgebruik. Maar door gebruik te maken van de brieven en andere geschriften, en de verhalen uit de eerste hand van Jan Veth zelf en van zijn vrouw Anna Dirks, ligt er een compleet naslagwerk om op voort te bouwen.

    Bij de herdruk van Johan Huizinga’s standaardwerk heeft Anton van der Lem een lijvige toelichting gevoegd. Deze uitgave van Querido Facto geeft nog een meer compleet beeld op leven en werk van de bijzondere Jan Veth. De portrettist en criticus die als voortrekker en gangmaker gezien mag worden. Voortrekker in de zin van het leggen van emotie in sprekende portretten zonder de gelijkenis uit het oog te verliezen. Gangmaker is Veth als criticus van kunst en kunstenaars. Hoewel hij dus zelf kunstenaar was en zichzelf ook onder de eigen loep van kritiek legde. Altijd was er de vrees dat zijn werk niet goed genoeg zou zijn, terwijl het rondom zeer werd gewaardeerd. En nog.

    Hij had er oog voor

    Veth vond zelf dat hij een natuur vol tegenstrijdigheden had. “Dat is mijn zwakheid en mijn kracht (…) veelzijdigheid van sympathieën en het vermogen om in velerlei dingen op te gaan.” Die veelzijdigheid maakte in hem het vermogen los tot scherp observeren en maakte hem tot een centrale figuur in de kunstwereld van zijn tijd. Hij had er oog voor. Maar die veelzijdigheid leidde volgens achterkleindochter Fusien Bijl de Vroe ook tot een innerlijke strijd, veroorzaakt door disharmonie tussen het schrijven en het schilderen. “Als kunstenaar was zijn werk eerder traditioneel dan vernieuwend, maar als schrijver zette hij zich in voor de erkenning van nieuwe richtingen”, schrijft zij in haar inbreng aan ‘Het oog van Jan Veth’.

    Jan Veth

    Het boek volgt leven en werken van Jan Veth nauwgezet. Diverse bijdragen van verschillende auteurs overlappen elkaar wel biografisch gezien vanuit van elkaar afwijkende standpunten. Het maakt de levensbeschrijving van deze kunstenaar meer dan compleet. Door de diverse kanten van de persoon in de teksten te belichten maken deze het boek uiterst lezenswaardig. De uitgave is geïllustreerd met een voorname keuze uit het grote oeuvre, voorbeelden van zijn kunnen in de kunst. Zijn kunst die, hoewel welhaast fotografisch werkelijk lijkt, nooit de stemming in het karakter van mens en landschap uit het oog verliest.

    De schilder is veel van huis

    Niet alleen het boek van Johan Huizinga vormt fundament om in de nieuwe uitgave op voort te bouwen. Ook de brieven van Jan Veth aan zijn geliefde Anna Dirks is vruchtbare bodem. Dit brievenarchief, correspondentie met vrienden en collega’s en de hartstochtelijke briefwisseling tussen Jan en Anna, was voor Huizinga al aanleiding om een uitvoerige biografie op te stellen. De schilder is veel van huis, soms weken, zelfs maanden achtereen. Om reden dat hij zijn opdrachtgevers niet naar zijn atelier laat komen, maar ze thuis in hun eigen vertrouwde omgeving portretteert. Met zijn Anna houdt hij dagelijks contact via brieven waarin zij de gang van zaken thuis rapporteert en hij gedetailleerd de opzet en uitwerking van schilderijen beschrijft. Uiteraard zijn deze geschriften nu interessante documenten om het leven en de werkwijze van deze kunstenaar te achterhalen.

    Jan Veth

    Zijn generatie wilde zich losmaken van oude waarden in de schilderkunst. Veth’s werk was echter eerder traditioneel dan vernieuwend. Als schrijver zette hij zich in voor de erkenning van nieuwe richtingen. De kunstenaar zelf wist niet welke richting hij als schilder wilde opgaan. Eerst koos hij naar de natuur te werken, in het landschap. Om in de voetsporen van de grote meesters van de Haagse School te treden. Maar later werd zijn professie toch het portret. Trefzeker maar stemmig wist hij de figuren op doek te zetten. In de opdrachten zocht hij een eigen van de gangbare ethiek afwijkende uitbeelding. Hij wilde niet werken volgens een vaste formule – varieerde daarom compositie, houding, formaat en wijze van uitvoering naar de aard van zijn model.

    Jan Veth vond zelf dat schrijven over kunst een taak was die vooral hem toekwam, omdat alleen kunstenaars goed zouden kunnen oordelen over kunst. De combinatie van kritiek en praktijk was voor hem en zijn tijdgenoten een absolute vereiste. Zijn soms niet milde maar juist messcherpe kritieken werden in vele kranten en tijdschriften afgedrukt. Hij zette zich in voor een breed kunstbegrip voor de in zijn tijd hedendaagse kunst, maar streefde ook naar een herwaardering van de kunst uit het verleden. Hij schreef boeken, onder meer over Rembrandt – ‘niet bedoeld voor de koks maar voor de gasten’.

    Jan Veth

    Gedurende zijn hele leven heeft Jan Veth oog gehad voor het publieke belang van kunst, cultuur en erfgoed”, schrijft Annemiek Rens in het hoofdstuk Kunst voor de samenleving. “Met zijn enorme kennis van allerhande onderwerpen en zijn onafhankelijke positie als kunstcriticus, was hij in staat om zaken scherp te zien en met heldere oplossingen te komen.” Veth speelde een niet te onderschatten rol in de kunstwereld rond 1900. “Hij leerde zijn tijdgenoten om eigentijdse kunst te gaan waarderen en oude kunst te gaan hérwaarderen.

    Het oog van Jan Veth, schilder en criticus rond 1900. Diverse auteurs. Publicatie bij de tentoonstelling in het Dordrechts Museum. Uitgave Waanders Uitgevers in samenwerking met Dordrechts Museum, 2023.

    Leven en werk van Jan Veth, Johan Huizinga. Toegelicht door Anton van der Lem. Uitgave Querido Facto, 2022.