Tag: WOEZ

  • Niet terugblikken, wel retro presenteren

    In nuveraardich keunstwurk noemen we dat hier op het Friese land; in bjusterbaarlik wurkje. En dat is het, eigenaardig en wonderbaarlijk. In de merkwaardig poëtische Retrospectieven van spoken word-artiest Monique Hendriks kijk je niet letterlijk terug. Wel is de manier waarop zij haar dichterlijke werk presenteert retro. Een nieuw samenstel van woorden in een oude vormgeving. De gedichten kun je lezend bekijken door een zogenoemde stereoscoop, en tegelijk beluisteren door een cassetteband af te spelen. Twee materialen van toen, uit door de bank genomen de jaren 60 van de vorige eeuw, in een actuele cross-over. Het beeld op veertien kleine dia’s, zeven paar stereofoto´s, gemonteerd in een kunststof schijf. Dit schijfje past en kan draaien in een viewmaster. Daarbij de muziekcassette, een magneetband gebruikt als geluidsdrager in een speciaal daarvoor gemaakte kleine kunststof doos. Nog niet zolang geleden rondom en alom in gebruik, nu al weer verouderd en qua techniek achterhaald. Retro dus.

    Nieuwe manier om poëzie te presenteren

    Een eerste project bracht in 2022 zeven gedichten op verkleind formaat transparant in een dubbel perspectief, door de viewmaster tegen het licht te houden. Twee transparante foto’s om de in collagevorm gegoten plaatjes met beide ogen stereo te kunnen bekijken. Dat eerste volume was een experiment waar de improvisatie van afspat. De nieuwe manier om poëzie te presenteren was even wennen voor dichter Monique Hendriks en vormgever Lilia Scheerder. De plaatjes stralen eenvoud uit, de typografie laat de tekst dan nog goed lezen. Aan het beeld is aandacht besteed om de woorden leesbaar te houden. In de tweede editie van 2024 wordt dat minder, de vormgevers drukken een duidelijker stempel op het geheel. Naast Scheerder heeft Bas Berends zich over het artwork gebogen. En de dichter wil als kunstenaar teveel laten zien op een klein oppervlak, zodat de woorden wat naar de achtergrond raken waar het beeld boekdelen spreekt.

    Daarom is het bandje waarop de artiest en maker haar teksten inspreekt en technisch manipuleert een welkome toevoeging op de te bekijken beelden. De viewmaster is feitelijk de dichtbundel, niet op papier maar in figuratieve beelden gevat. Het geluid is de voorgedragen bundel, de performance in audio zonder video. De twee communicatiemiddelen samen maken een geheel. Het één kan zonder het ander, maar geeft dan geen compleet 3D genot. Als voordrachtskunstenaar komt Hendriks door het geluid op band beter uit de verf. Althans ze kan sprekender haar werk vocaal laten horen dan dat ik ze lees in de vorm waarin ze deze heeft gegoten. De viewmaster is een bijzondere manier om naar de collages te kijken, maar werkt minder goed om de tekst te beschouwen. En laat je dan het geluid meespelen dan is opeens alles veel beter te duiden.

    Studiotrucjes en bandmanipulaties

    Op een originele en excentrieke manier heeft Hendriks de tekst ingesproken. Met verschillende studiotrucjes en bandmanipulaties is ieder gedicht een soort van hoorspel geworden. Poëzie moet gelezen worden om het te begrijpen, over gelezen en nog eens weer gelezen in een eigen ritme, voordat het begrip indaalt en de tekst op zijn plaats valt – de betekenis ervan binnenkomt. De dichter die het werk voordraagt mist dan die platte dimensie, daar je niet meteen de reden kunt doorgronden. Eigenlijk zou de declamatie, het voorlezen uit eigen werk, enkele malen herhaalt moeten worden, overgelezen zodat de hoorders de woorden kunnen wikken en wegen. Na weer luisteren dalen deze beter in, hoor je meer in de herhaling. Dat is wat dus mogelijk is bij de voordracht van Hendriks. De band kun je meerdere malen afspelen, terwijl je de viewmaster doorklikt. De gesproken tekst is versiert door beelden en opgeleukt met geluiden.

    De regels door Monique Hendriks geschreven meanderen letterlijk over het beeldvlak en figuurlijk in de gedachte van de lezer. Over alledaagse dingen die daarmee verbijzonderen. Hendriks geeft een draai aan de aannemelijke betekenis waardoor het onbenoembare in duiding toeneemt. Onverwachte wendingen, creatieve uitkomsten. De woorden liggen wel lekker in de mond en kunnen smaakvol gehoord worden. Daarom en daartoe zou ik deze hardop moeten spellen om de uitleg te vatten. Zou ik mijn eigen stem over de zinnen laten gaan om de regels te horen en plaatsing van woorden te begrijpen. Dan kan ik de taal ontleden en reden en gevolg van Hendriks geest achterhalen om te begrijpen. Het is een spraak van symbolen, maar soms bij tijd en wijle ook minder hoogdravend dan hier nu gesteld. Eenvoudige gebeurtenissen die in deze zetting meervoudige voorvallen worden. Zoveel belang krijgen dat deze met verve de eeuwigheid ingaan.

    Een voorstelling van gesproken tekst

    De poëzie van Monique Hendriks leent zich goed voor een performance, een voorstelling van gesproken tekst. Het hoeft zich niet alleen op papier te verantwoorden, maar kan ook uitstekend als geluid zich manifesteren. Het is zelfs uiterst geschikt om voor te dragen, maar dan wel op de manier zoals zij dit ten tonele voert. De gedichten zijn composities, die als het ware op een notenbalk kunnen worden uitgeschreven. Het zijn stalen van muzikale teksten zonder dat er een melodieuze lijn onder zit. Het is een vers maar geen gezang. De grens tussen literair, kunst en muziek is broos en vervaagd in de tijd. Het geschrevene, het beeldende en het geluid vloeien samen tot een multidisciplinair kunstwerk. De handeling om het te beschouwen als terugblik in de tijd, retrospectief, geeft een ander perspectief op symbolen in de kunst.

    Retrospectieven

    Is Retrospectieven 1 nog een bundel gedichten, in de derde dimensie vertelt de dichter een verhaal zonder van poëzie proza te maken. De Retrospectieven omvatten haar kijk op het zijn van Angstige Eicel tot Het Laatste Oordeel via Kinderwens en Uitgroei. Gedachten bij een wezen, het is van zichzelf in het leven, op de aarde. De zeven korte poëtische verhalen in de eerste editie hebben elk een titel. Staan niet los van elkaar, maar ook weer wel. Het heeft filosofische gedachten, creatieve overpeinzingen. Recepten hoe het leven er in een ander universum uit kan zien, bij kan liggen. Op de band hoor ik bewerkingen van Hendriks stem, zoals een modernist Paul van Ostaijen zijn woorden grotesk deed bewerken in typografisch expressionisme: BOEM paukenslag. Op papier, in de viewmaster plaatjes in bewerking van Scheerder, is dat een kalligrafisch expressionisme – diverse lettertypen cirkelen over een collage aan beelden. In geluid, op de felrode cassetteband geleverd bij de even opstandige fotokijker, is dat een auditief expressionisme.

    Retrospectieven in de Vierde Dimensie hangen daarentegen niet als los zand aan elkaar. Het is een doorlopend aaneengesloten verhaal met een enkele titel als paraplu. Ieder gedicht is een hoofdstuk in dit beeldende boek. Monique zit naar de vertelling gesproken in een kamer, schijnt opgesloten. Een onnodig verloopstukje op de grond naast haar bureau had haar ontsnapping kunnen zijn, het was een aanwijzing denkt ze. Ik hoor haar stommelen over zeil en voetstappen zetten in de tijd op kant B van de cassetteband. Of brengen de achtergronden mij thuis bij een pingpongwedstrijd voor één persoon? Ze zet een raam open, ruikt nat gras en ziet een buurmeisje stokjes in de grond steken. Ze beschrijft haar gevoelens van buiten en binnen tussen de muren en beseft dat de vierde dimensie geen muur hoeft te zijn.

    Retrospectieven 1, Retrospectieven De Vierde Dimensie. Twee beeldschijven in een viewmaster met spoken word op een muziekcassette. Teksten Monique Hendriks. Artwork Lilia Scheerder, Bas Berends. Uitgave Woez Publicaties / Barreuh Records.

  • Morgen gaat Bobbie weer mee in bad

    Het plastic boekje “Bobbie gaat in bad” kleurt feeëriek mee met het humeur van de hoofdpersoon in het korte verhaal daarin. Haal ik het door creatief schrijver Monique Hendriks bedacht, beschreven en samengestelde boek uit de beschermhoes dan is het een kleurloos geval, met zwarte tekst en lijntekening op witte kunststof ondergrond. Alleen enkele vlakken zijn lichtelijk roze ingekleurd, een voorbode van de wolk waarop Bobbie straks na een paar bladzijden zit. Maar nu eerst nog is haar wereld zonder tint. Grijs en grauw, zo niet diep zwart. Want ze heeft een burn-out, zit vast in depressieve gedachten. De dokter schrijft ontspanning voor. En wat ontspant beter dan een warm bad. Een bubbelbad om te ademen. Iedere bubbel vol met bevrijdend lucht. Maar bij de Gamma zit er levertijd op de baden, want “Het is burn-outseizoen”. De schemaatjes en de blaadjes vallen, het zal herfst zijn.

    Maar dan na even wachten is het luxe ligbad op leeuwenpoten in huis. De buik van de leeuw, het bad namelijk, vult Bobbie tot de rand met heet water. Ze stapt erin en haar gemoed dompelt zich onder in behaaglijkheid. Ze gaat werkelijk kopje onder en ademt in. En uit. “Elke zucht vormt een echolocatiebubbel.” De huid begint te rimpelen, ze wordt één met het water. Alles om haar heen lost op en Bobbie vertrekt naar een gedroomd elders. Op een roze wolk. “Ze is een sprookje geworden. Lang en gelukkig wacht ze op haar redding.”

    Het mysterie ontvouwt zich

    Wat er met Bobbie gaandeweg het verhaal is gebeurd laat zich raden. Het is dan ook een vertelling voor volwassenen. En ga ik met Bobbie in bad, neem ik het boekje mee in de nattigheid, dan kleuren de tekeningen zich als vanzelf. Het mysterie ontvouwt zich. De depressie wordt een manie. Bobbie ziet het leven rooskleurig tegemoet. Ze nestelt zich tussen het schuim en de bubbels. Haar lijf laaft zich aan het warme water. Wat een prettige heerlijkheid. Het bruisen slokt haar op, ruikt dromerig naar lavendel. Dit is welhaast de hemel op aarde. Dus laat ze zich onder water glijden om langer te kunnen genieten. Om de hitte als een warme deken om haar blote lijf te voelen, Ze houdt haar adem niet in, maar zucht juist diep om in deze extase te kunnen blijven. Om erin te blijven.

    En natuurlijk ga ik niet mee op de roze wolk. Ik ben toeschouwer, ik sta erbij en ik kijk ernaar. Geen lijdend voorwerp, maar een bijvoeglijk naamwoord. Wel hoor ik dat gerammel van het stopkettinkje wanneer Bobbie er met de dikke teen achter blijft haken, het klinkt als veraf beierende kerkklokken. Wanneer ik ga in het verhaal. Me laat meeslepen met de vertelling. Mee getrokken wordt onder water. Opgeslokt in de buik van de leeuw. Verzwolgen door mijn fantasie. Geholpen door het water in mijn bad waar ik het boek in dompel. Het opspattende vocht kleurt het plastic. Een wereld, de wereld van Bobbie, gaat voor me open.

    Het mooiste gaan is verdrinken

    En ik ken zelf dat gevoel. Van heerlijk je laten glijden in warm water tussen badschuim. Je prettig laten zweven. De warmte voelt heerlijk, zalig. Niet echt verkwikkend, maar juist slaapwekkend. De stilte in, de rust, de kalmte. Even niets hoeven dan alleen drijven in het zijn. Dan ga ik mee op die gedachte golven van Bobbie. Het voert me van hier, naar weet ik waar daar. Er is geen bestemming. Maar mijn reis kent een einde, terwijl die van Bobbie het einde is. Het mooiste gaan is verdrinken.

    En natuurlijk probeer ik het effect uit. Ontrafel ik het mysterie dat me is beloofd. De kleuren die student animatie Fong Mungkhunkhamchao in de tekeningen van illustrator Maarten Berkers heeft gebracht worden pas zichtbaar wanneer het boekje vochtig wordt. Bevochtigd wordt, nat is. Er kan een hele plens water overheen. En dan is de magie daar. De illustrator blijkt een illusionist. Als bij toverslag krijgen de kleurloze pagina’s kleur. En ze houden die kleur totdat de bladzijden opgedroogd zijn. Wanneer de kleur is weggetrokken kan ik opnieuw het genot van dit bijzondere Woez-product ervaren.

    De focus ligt op het prikkelen van de fantasie

    Woez Publicaties is het platform binnen poëzie-uitgeverij Opwenteling. Het zoekt beeld-tekst-mengvormen en houdt van genre-vervaging. Het poëtische avontuur voor in bad, onder de douche, in het zwembad, de vijver, de zee of in een flinke regenbui is een bijzondere publicatie die helemaal aanschurkt tegen de doelstelling van Woez. Want Monique Hendriks werkt aan nieuwe literaire concepten voorbij de bladzijde, precies zoals de uitgever beoogt. De focus ligt op het prikkelen van de fantasie en het zoeken naar verbinding. Bobbie prikkelt wel degelijk mijn fantasie. Het fantastische verhaal legt verbinding met haar nachtmerrie die dagdroom wordt en mijn verbeelding.

    Het is een ervaring die mij in de bubbel van de illusie brengt en afvoert naar een bestemming over de rand van mijn gedachten. Koffers heb ik niet nodig. Mijn bagage ligt in mijn hand: Bobbie gaat in bad. Dat is alles wat ik nodig heb om op de roze wolk naar elders te vertrekken. Elders achter de rijstebrijberg in luilekkerland. Het voorland van de feniks die uit de burn-out omhoog stijgt. Zo is “Bobbie gaat in bad” ook een therapeutisch voorleesboek. Dat ik liggend in bad aan mijzelf vertel. Mezelf met de tekst moed inspreek om over een paar tellen op te rijzen uit het water. Niet zoals Bobbie wegdrijvend op de schuimende bubbelwolk. Het boek is de fantasie. Mijn badkuip is de realiteit. Dat kan heel goed samen. Maar dan is de harde werkelijkheid weer daar, druip ik van de nattigheid maar zie de toekomst rooskleurig in. Morgen gaat Bobbie weer mee in bad.

    Bobbie gaat in bad. Een magisch badboekje voor volwassenen. Tekst en concept Monique Hendriks. Tekeningen Maarten Berkers. Kleur Fong Mungkhunkhamchao. Uitgave Woez Publicaties, 2023.

  • Voor AI, voor iedereen die onderdeel wil zijn van oneindigheid

    Voor Al. Moet ik me aangesproken voelen? Ja, natuurlijk. Ik ben de lezer. Ik ben één van al. Member of the pack. Het boek spreekt mij aan. Een en al oog. Dat wel, maar eigenlijk ook weer niet. Want de hoofdletter zegt dat het een persoonsnaam is. Al als in Albert of van Alexander. Dan is een beperkte oplage voldoende. En blader ik in een “geheim” dagboek. Het geheimzinnig zijn als dat van Al. Na beschouwing is duidelijk dat dichter, kunstenaar en allesmenger Arnoud Rigter zijn bundel beeldpoëzie heeft opgedragen aan pa Harrie en ma Boukje. De ouders die hem niet lang voor deze zijn ontvallen. Het zijn zijn al. Zijn allesie. Om niet te vergeten. En verder is het bijzondere kunstwerk voor ons allen. Voor Al. Tot in de eeuwigheid ofwel de oneindigheid. Ik mag ervan genieten, het beleven.

    Tantaluskwelling

    Voor Al is vooral een boek om te kijken. De taal, het woordgebruik is summier maar wel aanwezig. Twee gedichten illustreren de beelden. Het draait in het boek eerstens om die beeldtaal. De woordtaal is van ondergeschikt belang, maar niet weg te denken. Het houdt steek en hangt samen, woordvorm is onderdeel van de plaat zoals lijnen en vlakken dat zijn. Voor deze veelkleurige voorstellingen gebruikt Rigter de fotografie als techniek, met behulp van de digitale beeldbewerking maakt hij intrigerend plaatwerk. Tussen de beweging strooit hij letters en cijfers, emojis en symbolen. De tekst binnen het beeld wentelt zich op en neer. Formules om het zijn te duiden, het plan van aanpak het leven vorm te geven. In dit abstracte denkbeeld schuilt geen reële wereld, de oneindigheid is geen werkelijkheid. Het is dat wat bestaat in de geest. Een tantaluskwelling: als ik nu, zal het kunnen, als het toch eens was, hoe zal dat zijn. De eeuwigheid. Met die gedachte lijkt me, heeft Arnoud Rigter het boek gemaakt. Die beelden van de oneindigheid hebben door zijn hoofd gespeeld. Op papier kan het, in theorie is het mogelijk, kan alles, het al. De lezer, de belever, maakt de theorie tot praktijk door op te gaan in het boek, mee te gaan in die gedachte. Het is betrekkelijk, want zodra het boek dichtgaat en terug in de kast gezet, is de eeuwigheid eindig, houdt de beweging stil. Maar voor even in mijn eeuwigheid, voor de duur dat het boek dubbelzijdig dik is en eens weer, ben ik onderdeel van de tijd die geen einde heeft in de optiek van Rigter. Het boek is geen gedichtenbundel of geïllustreerde persing, het is een kunstwerk op zich en in zichzelf. Het is een avontuur er deelgenoot van te mogen worden, een belevenis er bezit van te hebben.

    Arnoud Rigter, beeldgedichten, Opwenteling, Woez

    Voor Al is een aldoor durend kijkproces. Er is een begin, maar eigenlijk nergens een eind. Vanaf de laatste bladzij draai ik het boek om en begin opnieuw. Het omkeerboek heeft twee helften in een doorgaande lijn. Ik krijg de groeten van en doe de groeten aan, de oneindigheid. Helft 2 vloeit, denk je het eind gevonden te hebben, naadloos over in Helft 1. In een doorlopende beweging, als de wijzers van de klok die hun rondes draaien. Dan lees je nog een tweede keer, ik lees het weer. Heen en weer sluiten nauw op elkaar in beelden. Mijn ogen duizelen over de bladzijden. Het gaat constant door, dat kan. Als in een cirkel. Bij de cirkel is het begin het eind, waar je bent begonnen kun je eindigen om de draaiing rond te maken. In één beweging. Eenmaal ingestapt is het eind ook weer het begin.

    Eeuwig leven

    In het boek vind ik veel cirkels, wentelingen, duizelingen. Het verhaal is niet eindig, het beeld gaat eeuwig door. Zo zou een leven moeten zijn, voor pa, voor ma, voor al. De vertelling, de beelden en de woorden daarbij, beschrijft daarom geen enkel leven maar een eeuwig leven. Willen we dat niet allen, voor altijd en eeuwig hier zijn. Want in dat niets moeten zijn, later – ooit, maakt onzeker, we willen ons niet losmaken uit de cirkel. Maar ergens wordt je wel ooit uit die malle molen gedrukt als de puberende karekiet die door het koekoeksjong uit het nest wordt gegooid. Dan is het eindig, maar voor enkelen een nieuw begin.

    Arnoud Rigter, beeldgedichten, Opwenteling, Woez

    Maar zolang ik inwoner ben van dat gekkenhuis waar Rigter mij toegang toe geeft, draai ik door met de cirkels en surf op de golvende lijnen. Meteen al op het omslag raak ik in de ban van de oneindigheid. Voert de cirkelgang mij binnen in het mysterie van de kringloop. Er waait een krachtige wind die zich manifesteert in een tornado, de hete adem vergloeit in vlammende tinten. De grond onder mijn voeten lijkt te beven – 7 op de schaal van Rigter. Ik raak van mijn stuk, niets blijft overeind in mijn denken. In het boek word ik meegezogen door de draaikolken die me almaar dieper voeren in dit universum, dit heel al.

    Synchroon en parallel

    Het boek heeft dus een begin en geen eind, zolang ik besluit het niet dicht te doen. Dat sluiten betekent dan een onderbreking van de fysieke cyclus, maar in het boek blijft het abstract doorgaan, al tijd. Ik start met lezen op pagina 1 nadat het omslag me naar binnen heeft getrokken, gezogen. Het is de pagina -3 voordat op 0 ik de groeten krijg van de oneindigheid en na 1 de hel losbarst. Maar de profetie dat we ooit onsterfelijk leven door draaien heeft geen eind, niet anders dan ik denk op dat moment een andere invulling van mijn tijd te wensen. Dan leg ik het boek terzijde, maar er is nooit een moment dat het uit gelezen is. Telkens kan ik in gedachten de oneindigheid opnieuw betreden of ergens halverwege in het boek verder gaan waar ik was gebleven. Is eeuwigheid oneindig, is oneindigheid eeuwig. Synchroon en parallel, rond en rond, door en door.

    Arnoud Rigter, beeldgedichten, Opwenteling, Woez

    Achter iedere deur die ik open is een andere deur om dicht te doen. De eeuwigheid heeft een Droste effect waar geen eind aan lijkt te komen. De zuster die telkens opnieuw in beeld komt in het blik op haar dienblad. Een spiegelbeeld dat in zichzelf blijft spiegelen. Een draaikolk waarin geen bodem lijkt te zitten. Ik doorleef een eeuwig durende val in de put en langs het ruim door Arnoud Rigter ingericht. En steeds kom ik langs andere werelden, trekt de een nog mooier dan de andere aan mijn ogen voorbij. Er is wel een bodem in de put, een zwart gat in het ruim dat helder wordt wanneer ik het nader. Daar diep beneden wordt ik als door een trampoline terug gekaatst naar het licht aan het eind van de tunnel, dat geen afloop blijkt te zijn. Want de zwaartekracht trekt me weer de ruimte in, de vloerloze put waar geen grond is om op te staan. In een vicieuze rondgang, een begin zonder einde.

    Arnoud Rigter, beeldgedichten, Opwenteling, Woez

    Schiet de tijd uit de eeuwigheid ontstaat er een ordelijke wanorde. De cirkel komt los van het draaien, lijnen die vormen dwalen door de ruimte. Het boek is op twee soorten papier gedrukt. De cyclus van de tijd is veelkleurig op glossy papier geprint. De formulering van de chaos staat zonder kleur op een matte drager. Uit de duizelende omwenteling kom ik in het hart even los, doorzie de beeldtaal die weerklinkt en zich telkens opnieuw manifesteert. De woorden glijden dan weg in de tijd, worden minder vatbaar, onleesbaar. De formule houdt het geheel duidelijk bij de les, het al, de oneindigheid.

    Het is een duizelingwekkend boek, waarvan het doel en de zekerheid niet altijd duidelijk zijn of te herkennen. Het gaat in deze ook niet om de uitdrukking, maar om de indruk die het achterlaat, om het gevoel bij de voorstelling. Beelden zeggen meer dan woorden, maar toch blijven oneliners me extra bij. De poëzie is kort en krachtig. Diepe gedachten die de beelden oproepen. Zo had ik nooit gezien, zo heb ik het nooit gezegd. Maar het is waar: een dief is ruimdenkend op het gebied van bezit, zoals een parachutist dat is op het vlak van zwaartekracht. Zonder valscherm duizel ik in de gapende oneindigheid van Rigter. Het voelt fijn in gedachten gewichtloos de eeuwigheid in te gaan.

    Voor Al. Beeldgedichtenbundel van Arnoud Rigter. Uitgave Woez, het beeldtekstplatform binnen uitgeverij Opwenteling, 2022.

    Arnoud Rigter, beeldgedichten, Opwenteling, Woez
  • Ik ben de maan, Rudolf, aangenaam

    Van een afstand denk ik het aan te zien. Zoals het lezen van een boek is, er fysiek geen deel van uit te maken. Het aanhoren van een verhaal, zonder als figuur een bouwsteen te zijn. Lezen en horen wat de hoofdpersoon zoal wel doet en niet laat. In monoloog wanneer hij of zij in zichzelf is, de persoon in de omgeving wordt beschreven. De dialoog in de ontmoeting met anderen, de figuren lijdend voorwerp zijn. Maar altijd staat het buiten mij. Meevoelen kan ik, mijn gedachten kunnen overeenkomen met de idee van de schrijver. Situaties werken als déjà vu, dat kan. Voorvallen invoelen.

    Deze keer sta ik niet van een afstand te kijken. Wil ik dat wel, kom ik niet verder dan de kaft en blijft het boek gesloten op tafel liggen. Meteen op de eerste pagina van “O Rudolf” namelijk vraagt de auteur mij om actief deel te nemen aan het verhaal, in het boek. Wanneer ik het dus opensla ben ik het verhaal. Had ik het maar dicht gelaten? Het is intrigerend, arglistig door Ineke van Doorn in beeldtekst uitgewerkt. Zij laat het verhaal tot leven komen in haar tekeningen. Maar ook de tekst blaast al adem in het figuur. Die tekst is in een speels lettertype uitgeschreven, als gezette letters in een oud boek. Er is gestoeid met diverse groottes, cursieven en vette aanzettingen. Verlangend naar een glyph, een teken dat met één of twee pennenstreken te noteren is. Een beeldmerk. Van Doorn schets en tekent, arceert en vult de bladzijden tot een levendig verhaal waarbij de tekst in deze weergave onderdeel van het plaatwerk is.

    Beeldvorming

    Het personage Rudolf is een bestaand persoon. Wanneer ik het boek eerstens opensla en de teksten en beelden beschouw, ga ik ervan uit dat het een vertelsel is. Een verzonnen verhaal. Maar, zoals dat meestal is met zich serieus achtende literatuur, dien je de woorden vaker en overdacht te lezen om de diepere laag aan te boren. “Achter de pilaren loert het zwart. Iets anders neemt het roer over. Is wroeten in het loodzware, de zin van mijn leven?” En nog eens weer overlezen, en weer. “Ik wil dieper, dieper de nacht in.” De illustraties helpen bij de beeldvorming. Eerst raak ik van de wijs, volg ik de getrokken lijn niet. Ga ik dan nieuwsgierig geworden op zoek naar de waarheid, de echtheid, dan blijkt de hoofdpersoon een historisch figuur. Of hij dit of dat zo en aldus heeft beleefd is daarbij van minder belang. Het mysterie rond geschiedenis en persoon mag realiteit blijven.

    Ineke van Doorn

    De schrijver vraagt mij de maan te willen zijn, zij doet of ze de zon is. Door haar verhaal beschijnt ze mij. Eerst als nieuwe maan. Maar hoe verder ik vorder door de bladzijden in het boek, hoe meer ik begrijp, was ik tot eerste kwartier en volle maan. En ja, daarna zou ik weer krimpen tot laatste kwartier en asgrauwe maan. Maar die cyclus voltrekt zich in dit geval niet, wanneer ik het verhaal doorzie blijf ik in het volle licht van de zon. Blijf ik onder de aandacht van Ineke van Doorn, houd ze mijn concentratie op Rudolf en zijn levensverhaal scherp.

    De zon is dus de ik figuur, de historicus die de geschiedenis heeft bedacht. Ik ben de maan, de lezer die zich laat meevoeren in feit en voorval. Althans dat is de opdracht van de ik, aannemende dat dit de schrijver is. Het gaat over haar vader, die ik dus ben. Die vader is schijnbaar de alchemistische keizer, die leefde ergens in de middeleeuwen. Een raadselachtige vertelling waarbij ik op de eerste pagina al op een verkeerd been sta. Ik schrijf vraagtekens tussen de regels door. Maar blijf bij de les en doorzie gaandeweg de vertelling, denk ik.

    Je-vorm

    De afstand van zij de zon en ik de maan is de verwijdering van die ster op het toneel en ik als toeschouwer in de zaal. Naar mate het spel voortduurt, zich voltrekt en afspeelt, wordt de kloof gedicht en straalt de vervreemding vertrouwen uit. Want meteen ben ik dus die hoofdpersoon in het verhaal, de vader waar Ineke van Doorn over vertelt. Ik ben die Rudolf. Het verhaal is in de je-vorm geschreven. Dus ik voel me aangesproken en trek zijn met kant versierde jas aan, zet zijn met edelstenen versierde muts op, kruip in zijn huid. Praag is mijn  geboortestad ooit toen en daar sterf ik in de volgende zin. Zo kent mijn leven al op de tweede pagina een afgebakende periode.

    Ineke van Doorn

    “Je grootvader was ook keizer, je vader, stierf aan hartaanvallen en nierkolieken, je moeder baarde zestien kinderen, je oom zal trouwen met je zusje.” Ik ken mijn plek. “Je gaat niet naar de bruiloft.” Van Doorn bepaalt wie ik als lezer ben en welke rol ik speel. Mijn handel en wandel is door haar uitgezet. Maar ieder ander die de beeldtekstbundel leest heeft eenzelfde ervaring, realiseer ik mij. Rudolf is daarmee universeel, door iedereen persoonlijk naar wens in te vullen. Het verhaal blijft dan wel hetzelfde, de beleving is van een andere aard. Maar ik moet uitgaan van mezelf, ik heb geen ander persoon dan ikzelf bij me en binnen handbereik. Me, myself and I. Rudolf.

    Volksverhaaltje

    Het is een mysterieus verhaal dat zich afspeelt in een duister verleden, een vertelling opgelicht en verhelderd door de erbij geplaatste tekeningen. Mijn burcht  is omgeven door drie grachten en een hek. Buiten de poort dwalen reuzen, narren en dwergen. Alchemisten zoeken ingang om mij een les te leren. Ik heb een grote liefde genaamd Isabella, zij geeft mij raad en daad, en stuurt en leidt mij. Ik wil goud maken, de hemel op aarde brengen, de nieuwe mens vormen en deze Frederik noemen. Daarvoor plaats ik de sterren in de juiste stand. Ben ik Galileo Galilei, Isaac Newton of Eise Eisinga in mijn kabinet, een alchemistisch keizer op de troon of bezie ik mijn verleden in de macrokosmos? Ik pieker tot de sterren als in het zonnestelsel om mijn krakende hoofd draaien. Ik ben Rudolf II en ik ken Johann Kepler, de astronoom. Ik leef in mijn eigen tijd en beleef de uren als in een sprookje. Maar ik ben echt, geen verzinsel, nauwelijks de hoofdrol van een volksverhaaltje. Zo lees ik echter het verhaal van Ineke van Doorn wel, als een vertelsel. Een dubbel laags droombeeld. Een fantasie met meerdere bodems. “Het is goed om alles in een nieuw licht te plaatsen.” Ik hoef op deze plaats echter het verhaal niet te duiden, geen betekenis te achterhalen. Voor iedere Rudolf zal de waarheid in een ander midden liggen.

    Ineke van Doorn

    Verschillende personen willen ondertussen het verhaal binnengaan, maar niet elkeen krijgt de sleutel van het maankastje. Daar zou ik in verscholen willen zitten om de zaak aan te kijken, van een afstandje. Maar, ik ben Rudolf en verzamel klokken om de tijd gevangen te houden. Dat bedenk ik zelf als lezer om mijn eigen ik plek te geven. Dat feit licht ik uit de bladzijden van het boek op, maar weet niet of het waarheid is. Mijn blik vernauwd waar die van Rudolf zich verbreed. Ik voel de waanzin die hem bekruipt, de onzin die zijn gedachten insluipt. Hij is een geestig mens. Ik? Want ik ben Rudolf meent Ineke.

    Geen beeldroman

    In die woorden heeft hij, heb ik, een nieuw mens gemaakt. Niet naar het rangschikken van de sterrenstand, maar samen met zijn/mijn geliefde. Dit resultaat, deze dochter is dol op chocolade en taart. Ze heeft een hartje van goud, want dat wilde ik ook maken, goud. Ze is mijn steen der wijsheid waarnaar ik als Rudolf op zoek was. Rudolf en ik, ik en Rudolf, wie is nu eigenlijk wie. Neem ik afstand of wordt ik hoofdpersoon. “Hoe is het om de zon van leven te zijn?”

    Ineke van Doorn

    De uitgave “O Rudolf” is geen beeldroman, maar een verbeeld verdicht verhaal. Maker Ineke van Doorn is daarin tekstschrijver en beeldtekenaar, waarbij het beeld een eigen leven heeft naast de tekst. Het één is geen illustratie van het ander en het ander is geen commentaar op het één. Beide ambachten, kunsten zo u wilt, vertellen het verhaal van Rudolf op een eigen manier. Beeld sluit niet naadloos aan op de tekst, maar als lezer zie je wel het verhaal zich vormen door het boek bladerend. Zelf een beeld maken van hoe Rudolf lijkt of de andere personen schijnen te zijn is niet mogelijk. Van Doorn tekent ze mij voor, schetst persoon en omgeving. Het is afbeelden en beschrijven, deze twee-eenheid waardoor ik speels in en door het verhaal wordt getrokken, als vanzelf.

    Illustratrice Ineke van Doorn is voor het beeldverhaal geïnspireerd door een fotoboek van de stad Praag lees ik op haar website artstories-ineke.com. Een album “met zwart-wit foto’s uit de jaren 50. De stad, met boven op de berg de burcht van Rudolf II. Aan de voet van die berg ligt het gouden straatje waar ooit de alchemisten woonden.” In die sfeer en met die stemming, dat gevoel, is de belevenis geschreven en gelezen. De foto’s in het album ken ik niet, maar ik kan me een beeld vormen bij de sensatie die de kunstenaar voelde toen ze de platen zag. Als vanzelf kreeg het verhaal vorm en begon die tijd van toen voor haar te leven. Het beeld van de jaren 50 werd moeiteloos in de renaissance vertelling geplaatst. De klassieke oudheid haalt ze terug, het sprookje wordt wedergeboren in haar parabel.

    Ineke van Doorn

    Ik kan het lezen als een onderhoudende vertelling met vermakelijke plaatjes, maar ik kan het ook zien als een spiegel die me wordt voorgehouden. Het is dan nog even zoeken naar het spiegelbeeld, maar de hang naar een ontdekking, een uitvinding, goud, wijsheid, de nieuwe mens is van alle tijden. Ook nu nog tegenwoordig wordt een hoger goed nagestreefd, dat meestal een luchtkasteel blijkt, een fata morgana. Het streven leidt tot een krankzinnig wereldbeeld. “Het dier moet mijn demonen verslinden!” Het kan alleen terug in balans komen door een natuurlijke invulling: de nieuwe mens is de kei van een dochter met een hartje van goud. Drie vliegen in één klap.

    O Rudolf, alchemistisch keizer. Ineke van Doorn, tekst en beeld. Uitgave: WOEZ, het beeldtekstplatform van Uitgeverij Opwenteling. 2022.

    Ineke van Doorn