Tag: zelfportret

  • Jan van der Kooi is zichzelf wanneer niemand kijkt

    Het schijnt zo eenvoudig te maken. Het zelfportret. Want je hebt jezelf toch altijd bij je. En stil model zitten is makkelijk, want geconcentreerd kijk je naar jezelf dus onbeweeglijk in de houding ben je sowieso. Het lijkt niet moeilijk. Een landschap tekenen. Het ligt er statisch bij. De enkele windvlaag die de boomtoppen vriendelijk doet zwaaien, de troep vogels die rumoerig overvliegt, het storende gezoem van een bij op zoek naar honing – je hoeft dat allemaal niet te registreren en vast te leggen in krijt op papier. Zo gemakkelijk is dat echter allemaal niet, schijn bedriegt. Tekenaar Jan van der Kooi weet dat en onderkent dit. Het model is onder handbereik, maar blikt iedere dag anders, elk moment heeft een eigen oogopslag.

    Een kop tekenen is geen sinecure. Men gebruikt zichzelf wel om de portretkunst te oefenen. Om het kleurgebruik van huid en haar in de vingers te krijgen. Glimmertje in de ogen, stand van de neus, glanzende lippen – het maakt en breekt de herkenning. Je hebt jezelf zoals geschreven bij de hand, dus dat maakt je bijdehand om te schetsen met potlood en verf. De plaatsing van ogen, neus en mond kan naar verhouding correct ingepast worden. Maar om daaraan een stemming te geven of een karakter in te brengen is minder ordelijk te doen. De gelaatkunde in de beeldende kunst is van een andere orde. Het is een kunst op zich om de persoonlijkheid in een portret te brengen, de ruimte in het vlak te krijgen.

    Iedere lijn

    Iedere lijn in Van der Koois zelfportret heeft een functie, is doelbewust gezet. Elke stip of veeg is belangrijk als onderdeel van het geheel. Evenzo geldt dit voor het landschap, dat eigenlijk een portret is van de omgeving. Het schijnen allemaal beelden of beeltenissen van eenzelfde karakter; het portret Van der Kooi, het landschap De Veenhoop. In het geval van het zelfportret klopt dat. Bij het landschap valt dit tevens te rijmen, hoewel wanneer je hier of daar kijkt en dus van standpunt verandert en zichtlijn wijzigt de indruk anders is.

    Iedere dag heeft de eigen zorgen en deze tekenen zich af in de uitdrukking van het gelaat. Eigenlijk toont Van der Kooi in het portret een getekende autobiografie. Uit de koppen straalt zijn levensverhaal. Het is een serie in zijn oeuvre, voor iedere week een portret. Zo zie ik hem door de tijd gaan, het zijn leven. In de rimpels lees ik zijn geschiedenis zoals de tijd uit de jaarringen van een boom gepuurd kan worden.

    Geen dood getekende afbeeldingen

    Jan van der Kooi toont in Museum Belvédère veel van die zelfportretten en een veelvoud aan landschappen. Onder de titel “Wie ben je als niemand kijkt”. En inderdaad kijkt er niemand wanneer hij zichzelf vastlegt in het atelier. Turend in de spiegel naar Jan. Wie is hij dan, op dat moment. Niemand ziet hem zwoegen op zijn eigen karakter. Volgens mij is hij daar zichzelf, is hij daar Jan die Van der Kooi vastlegt. En dan, wanneer deze tekeningen een tentoonstelling krijgen en worden gezien, waar kijk ik dan naar, wie zie ik dan. Ik zie Jan, hemzelf, dat is hij. En hij kijkt me wel vorsend aan, zijn getekende blik doorboort mijn gedachten. Het is alsof hij mij doorziet, mij oogt wie ik ben. Terugkijkt vanaf het papier. Hij zag zichzelf, maar in het museum ziet hij mij. Priemende blik, gefronste wenkbrauwen. Veelal met de bril op de punt van de neus beschouwt hij mij, kijkt over het montuur en bepaald mijn blik. Hij biologeert mijn wezen, waar hij eerst zich concentreerde op het eigen zijn. Die onderzoekende oogopslag speurde naar het wezen achter zichzelf, het bestaan in de plooien van het eigen gezicht. En nu deze portretten de ruimte vinden staren ze vanaf de wand naar mij en al die andere bezoekers.

    De werken van Van der Kooi zijn geen dood getekende afbeeldingen. Geen tot in de poriën en tot in de grassprieten vastgelegde werkelijkheden. Hoewel deze realistische portretten en landschappen herkenbaar en plaatsbaar zijn, heeft Van der Kooi er een abstract wezen ingebracht. Als de Schepper er leven ingeblazen. Het zijn geen plaatjes maar levende voorstellingen. Met veel beweging in de lijnvoering is het alsof het portret een knipoog geeft, alsof er opeens een wolf uit het struikgewas kan opduiken. Ik hoor hem grinniken, Jan, zich verkneukelend over al dat aapjes kijken en die verbaasde en bewonderende blikken. Ik hoor de vogels fluiten boven de velden, de zuchtende wind die de bladeren laat ruisen. Van der Kooi heeft de ziel van het wezen geraakt. Zijn wezen en dat van het landschap.

    Langs de boorden van de Veenhoop

    Van der Kooi werkt in traditionele tekentechnieken en heeft een geheel eigen stijl ontwikkeld die het midden houdt tussen realisme en expressionisme”, lees ik op het tekstbord bij de tentoonstelling. Het zijn derhalve geen oppervlakkige werken die ik beschouw, tonen niet sec een gelijkenis, maar boren een diepere laag aan. Die laag waarin de meester zich fijn voelt wanneer niemand kijkt. Hij is alleen in het atelier, eenzaam met zichzelf bezig. Observeert het ego en reflecteert het ik. Toont niet hoe mensen hem zien, de buitenkant. Maar laat de ervaring zijn, het gevoel, de binnenkant. En daarna wordt het in de openbaarheid gegooid, krijgt het beeld in een tentoonstelling. Want het moet gezien worden, onder de mensen komen. En dan kunnen de bezoekers er iets van vinden. Dan is echter de maker er niet bij, deze houdt zich afzijdig. Door de tekening gaat hij figuurlijk in gesprek met degene die naar de tekening kijkt. Kijkt hem aan van achter of over zijn bril, observeert mij, kijkt door mij heen als het ware. Kijkt zo streng en scherp alsof hij bezig is van mij een portret te maken. Dat ik het model ben. En dan loop ik langs de boorden van De Veenhoop, op de oevers van de Headamsleat. Want ik raak in verlegenheid van die priemende blik, die mij achtervolgt en scherper doorziet als dat ik naar mijzelf kijk. Want wie ben ik als Jan van der Kooi kijkt. In die natuur vind ik de schepper terug. De tekenaar die de omgeving schetst. In de gelaagdheid is hij abstract aanwezig, zijn geest waart door het veld omdat het beeld heeft gekregen zoals hij het zag, zoals hij het heeft beleefd.

    Naar de geest van de klassieke meesters, in de lijn van de kunstgeschiedenis, tekent Jan van der Kooi de zelfportretten. Schetst hij het landschap. Zoals de opdrachtgever verlangt dat een portret naar waarheid de geportretteerde eer en recht aan moet doen, zo heeft de kunstenaar de vrije hand om zichzelf te tekenen. Het portret dient te beantwoorden aan uiterlijke schijn, de schoonheid zal afstralen van het evenbeeld. Echter wanneer de tekenaar of schilder zichzelf als model neemt kan hij of zij voorbij gaan aan de esthetiek en beelden naar de waarheid achter het zichtbare. Dan komt de ware aard naar boven.

    Wie ben je als niemand kijkt. Kamerpresentaties getekende zelfportretten en landschappen van De Veenhoop. Jan van der Kooi. Museum Belvédère, van 25 januari tot 22 juni 2025.