Tag: eigen uitgave

  • Vette tekeningen met commentaar op de menselijke toestand

    Hij tikte onlangs de 75 aan. Driekwart eeuw oud en nog altijd actief als een jonge hond. En zeker van zijn zaak. Overtuigt van het eigen kunnen. Heeft een uitdrukkelijk eigen stijl en steekt daarmee met kop en schouders boven het maaiveld uit. In een ver verleden opgeleid als kunstenaar aan de Gerrit Rietveldacademie heeft hij die kennis links gelaten en is recht op zijn doel afgegaan. Verdient zo een eigen plek in de kunstgeschiedenis, een eigen genre in de Nederlandse traditie en de vaderlandse canon.

    Het werk van Roland Sohier is een vak apart, want hij laat zich niet in een hokje stoppen. Geeft zijn kijk op de menselijke toestand ondubbelzinnig beeld. Hij schopt daarmee tegen de naakte waarheid aan en blaast meerdere heilige huisjes omver. Dat niet iedereen de noodzaak van zijn onomwonden beelden inziet blijkt uit het feit dat de Facebook-factcheckers meerdere malen zijn tekeningen verwijderen als zijnde ongepast, een aantasting van de goede zeden. Maar Sohier laat zich niet afschrikken en blijft stoïcijns zijn werk plaatsen. Want zijn schilderijen en tekeningen moeten de wereld in, gezien worden, bekeken zijn. Sohier heeft een boodschap en maakt deze boordevol cynisch sarcasme kenbaar.

    Beduimelde kraamkamer

    Hij is op een gezonde manier vervuld van zichzelf. Geeft hoog op van zijn kunnen, want als hij het zelf niet doet wie zal het dan voor hem doen. Alex de Vries? Jeroen Wielaert? Ik? Dus geeft hij in eigen beheer rond iedere jaarwisseling een magazine uit, dat een inkijk geeft in de resultaten van dat afgelopen jaar. Met niets verhullende titels als “Tekeningen die er toe doen”, “Tekeningen waarvan je staat te kijken” en “Tekeningen waar je niet omheen kan”. Najaar 2024 gaf hij een kwartetspel uit, zodat ingewijden en buitenstaanders zijn werk door de vingers krijgen. – “Mag ik van jou van Vette tekeningen, Trouble in Paradise?” – “Die heb ik niet, maar heb jij Tree of life van De Ruimte in voor mij?” – “Ja, kijk.” – “Kwartetteketet!!!

    Sohier weet dat hij goed werk levert, grensverleggend en onalledaags. Daarin blijft de geschiedenis van ontstaan naar resultaat zichtbaar, als een heldere blik in een morsig atelier. Een beduimelde kraamkamer, in de hoop dat schoonheid wint! Van eerste lijn tot laatste vlak volg ik de welsprekendheid van Sohier, de zeggingskracht van gevoel naar uitdrukking. Niet meteen staat wat gedacht is juist op papier. Juist het intact laten van de voorgeschiedenis geeft het werk een attractieve kant. Het is of pleeg ik een opgraving, onderzoek ik als archeoloog de geschiedenis van de tekening. Mislukte delen blijven zichtbaar ondanks dat deze zijn weggegumd. Geknipte details uit ander werk is geplakt zodat een collage ontstaat. Diverse lagen geven daardoor een tastbare verdieping. Contemplatie holt mentaal het zicht uit, reflecteert in gruizige eerlijkheid. “Schilderijen die je gezien moet hebben” en “Schilderijen die iets betekenen” werken over de jaren naar een apotheose in “Vette tekeningen”, de meest recente uitgave.

    Hoge creatieve status

    Deze tekeningen in het laatste magazine zijn niet vet omdat ze met vetkrijt op papier zijn gekalkt, integendeel, maar omdat het te gekke werken zijn, gaaf en leuk. En mij vooral een spiegel voorhouden, de clown uithangen want ik ben de onbenul in deze, de kluns. Sohier bekleedt als de nar een bijzondere sociale plek in de kunst. Als kunstenaar staat hij met zijn schetsmatige en bij tijd en wijle naïeve tekenstijl schijnbaar onderaan de kunstzinnige ladder. Echter kan hij als mens heel goed de maatschappij en de spelers daarin doorgronden en ons kijkers naar zijn werk voor de gek houden. Hij gaat in tegen de heersende opvattingen. Als nar, paljas of hansworst, wordt hij daarvoor niet gestraft anders dan verwijdering van Zuckerbergs speeltje. Als beeldmaker heeft hij daarom juist een hoge creatieve status, want hij is bij machte mij op de lange tenen te staan en mij op de neus te laten kijken. En vooral mij met en door zijn werk figuurlijk eens goed kietelt zodat ik er bijkans zinnebeeldig dood bij neerval.

    Wat opvalt zijn de voor beschaafde kijkers ordinaire handelingen die de figuren uitbeelden. De grensoverschrijdende gedragingen die overigens volledig met instemming van de lijdende voorwerpen plaats vinden. En de dynamiek die daarmee gepaard gaat. De personen in de werken van Sohier zijn voortdurend in beweging. De kunstenaar legt zijn figuren niet stil, bevriest de activiteit niet, maar laat de lichamen worstelen, over mekaar tuimelen. In een enkele tekening beziet Sohier het lichaam van diverse kanten. Daardoor kan het model een teveel aan benen en armen hebben of een overvloed aan billen en borsten. Maar juist dat zicht van meerdere zijden en de kijk op een veelheid aan houdingen maakt het werk zo energiek en temperamentvol.

    Met een lach en een traan

    De clowns rollebollen door de piste. Het naaktmodel laat zich onbeschaamd van alle kanten zien. De Januskop laat zich stapelen tot een totem. In die Januskop benadrukt Sohier dat iets of iemand diverse, vaak tegengestelde, eigenschappen of karakteristieken kan hebben. In die beeldspraak, in dit geval het sprekende beeld, laat hij zien dat niets vaststaat, dat echter alles voor velerlei uitleg vatbaar is. Enerzijds dan wel anderzijds, dit of dat, kiezen of delen. Zijn werk heeft meerdere lagen van verklaring, maar het heeft daarentegen een enkele motivering – het commentaar op het actuele zijn heeft slechts deze unieke lezing. Hoewel de argumentatie omfloerst verbeeldt lijkt, uit meerdere lagen schijnt te bestaan, is de beeldende redenering toch helder en klaar.

    Met een lach en een traan duidt Roland Sohier de wereld, de opgeklopte en aangedikte figuren die de mensheid vormen daarin. Slechts de figuurtekeningen naar naakt model zijn zonder reden gemaakt, niet anders dan om het vrouwelijke lichaam te verheerlijken – een orgie aan schoonheid weer te geven. Sohier schijnt in zijn werken te experimenteren om tot een juiste uitbeelding en een vaste voorstelling te komen. Echter weet hij in de groezelige en smoezelige, de onfrisse en beduimelde tekeningen tot een duurzame en onverzettelijke representatie van het huidige mensdom te komen. Zijn kunst is een cynische reflectie op het bestaan, een ironische kijk op het zijn. Met ieder magazine zet de kunstenaar zich meer af tegen het mensdom waarvan hij tegen wil en dank deel uitmaakt. Vooral in het huidige tijdsgewricht zou jij je doodschamen mens te zijn. Dat is wat Roland Sohier in zijn kunst vaststelt en vastlegt. De tekeningen mogen dan grappig lijken, deze verbeelden tijden die zeker niet vermakelijk zijn.

    Vette tekeningen. Gummen, gummen, gummen, je herpakken en doorgaan. Roland Sohier. Uitgave in eigen beheer, voorjaar 2025.

  • Een poëtisch woord, achterommetjes van de droom

    Als lezer voel ik mij ingenaaid en gebonden. De dichter pakt mij bij mijn kladden en laat me vijfenzeventig pagina’s lang niet meer los. Achteraf bezien te kort om de poëzie te laten indalen, dus begin ik nog eens bij ‘Gegroet’ en ben opnieuw verbonden met Frans Veenhoven. “Van binnen. / rijk van geest / misschien die / kan spreken / luisteren naar / of zwijgen / / het woord zal / niet volkomen / een sfeer van / de geest duiden / of dragen / / misverstanden / verwarren er / een helder / innerlijk weten / of denken / / de rijkdom is / in mij uniek / alleen kan ik / die bewaren / in ervaren”. Deze dichter en beeldend kunstenaar lijkt mij een exclusief kijkje in zijn bestaan te geven. Dichterbij zijn persoonlijk zijn kan ik niet komen. “Een poëtisch woord…” is een autobiografisch eigen uitgave. Hierin is Veenhoven dichtbij zichzelf gebleven waardoor het enigszins ver van mij af schijnt te staan bij eerste beschouwing. Maar niet zo verwijdert dat ik geen weg zal vinden om op de bestemming te komen.

    Geen chocola van te maken

    Ik kan een eind aan zijn hand met hem meegaan, maar soms halverwege of bijna aan het slot laat hij mijn greep los en moet ik alleen verder. Moet ik het zelf maar uitzoeken waar het doel van bestemming is. Dat is niet altijd even makkelijk, omdat Veenhoven wel gebruik maakt van abstracte beelden zonder uitleg te geven. Zich omstandigheden toe eigent die ik niet persoonlijk kan vormen. Waar ik geen chocola van kan maken. Maar het dartele in zijn taal en het speelse van zijn woorden maakt veel goed, zo niet alles. Ik volg hem dan maar als een rat naar Hamelen. Gedwee zijn pad nagaan en nog eens weer de woorden tot zinnen in mij wegen. De weg terug volgen om opnieuw te beginnen in de hoop de goede richting te vinden.

    Hoewel hij niet het achterste van zijn tong laat zien, wat achter gesloten deuren is blijft verborgen – uiteraard, licht Veenhoven wel een tipje van de sluier op. Hij geeft wel een strobreed toe, maar ik moet zelf de speld in de hooiberg vinden. Zinnen maakt hij niet af of wisselt deze van aangenomen plaats, waardoor er gaten vallen die de lezer zelf moet opvullen om de betekenis van het vers te achterhalen. Het maakt de poëzie van Frans Veenhoven interactief. De leemtes vul ik op met aannames van hoe de dichter het bedoelt zal kunnen hebben. Creatief en taalgevoelig als ik ben achterhaal ik de waarheid meestal wel. Maar soms zijn de zinnen cryptisch uitgeschreven, moet de lezer maar uitzoeken welke kant het op gaat en wat de uitkomst is of zal zijn. Met beeldspraak en zinnebeelden word ik om de oren geslagen. Het geeft de poëzie van Veenhoven een speels maar doordacht karakter. Lichtvoetige verzen met een zware ondertoon. Bezwaarde gedichten van een verlichte geest. Dikwijls met een filosofische inslag, contemplatie van de koude grond.

    Allerlei woorden in gedichten

    Veenhoven schrijft beeldend. Hij hakt de woorden los uit het alfabet, maar de beitel schiet wel eens uit zodat er (te)veel letters wegvallen. Dan moet de lezer de vorm in gedachten afmaken, lijnen trekken die vermoedelijk getrokken zijn. Juist die onevenwichtige schijn maakt de verzen niet tot wanorde, maar geeft het sprekende kracht omdat ik het inzicht in mezelf moet vinden. Ik moet de poëzie, een allerlei woorden in gedichten, mij in gedachten toe-eigenen. Het uit de sfeer van de dichter in mijn eigen persoonlijke bubbel trekken. “dichter ben ik niet / soms lekt mijn pen / druppelt een traan / lekt mijn neus / regent het / als een vergiet / gedachten als wolken / verdwijnen voor de zon / vluchtende zwijnen / wroetten ondoorgrondelijk / rulle aarde / voor bloemen denk ik” heeft als titel ‘Ongedacht’, verrassend. De dichter dicht wel maar sluit de poëzie niet op, houdt de verzen open maar dikwijls weinig doorzichtig. ‘Omgegooid’ klinkt dan twijfelend, niet overtuigd van het eigen kunnen: “gezwicht voor / van al / ik weet niet wat / welk woord eerst / aaneengeregen / naar mijn zin / de koers omvat”. Niemand heeft zekerheid, iedereen aarzelt vandaag om morgen uit de overpeinzing te ontwaken en overtuigd te zijn van zichzelf. Stelligheid heeft tijd nodig, zoals deze woorden in gedichten dat hebben: ruimte aan momenten om de leegte gelaten te zekeren.

    Mijn woorden die Veenhoven in de pen neemt

    De poëzie van Frans Veenhoven heeft de geest van de standaard haiku waar in zeventien lettergrepen het hele verhaal vertelt moet worden. Dit is haiku 3.0, dezelfde sfeer maar uitgesponnen, uitgerekt en langer gemaakt. Niet dat hij geen eind kan vinden (zoals ik daar moeite mee heb), hij blijft de aandacht houden – maar het plot is soms eens onbevredigend. Meer of beter is het een uitgebreide tanka, een renga. Maar wel de strekking als deze Japanse lyriek zonder rijmvorm. Door niet alles schrijvend te zeggen wat een verklaring zou geven, kan de lezer de geschreven woorden tot zich nemen. Het is alsof ik het zelf heb geschreven, dat het mijn woorden zijn die Veenhoven in de pen neemt en vervolgens terugkaatst en ze mij in de mond legt.

    Enzovoort. / / tja, je leest ’s wat… / je hoort ’s wat… / en zo kwamen er / enkele woorden / op mijn pad… / / ook papier sprak / schrijf maar hier… / niet geschreven / dus niet gelezen / en zo is dat… / / ik las is voorbij / kan even hangen… / maar verbleekt / naslag werkt / vertel me wat…”

    De teneur is zo vanzelfsprekend, zo uit het leven gegrepen. Zijn leven die door de lage drempel de mijne wordt. Wel een lage drempel die met een Ikea-krukje geslecht moet worden. Want niet meteen doorzie je het lichte vers en lijkt het juist een zwaar gedicht te zijn. Maar wie daar doorheen kijkt, de abstracte benadering als realiteit beschouwd begrijpt de bedoeling. De ogen doorzien en de gedachte gaat open, de geest komt tot bloei wanneer de tijd genomen wordt om de schijnbaar onvolledige dichtregels te wegen.

    Bij de brug. / / het gebeurde / verbijstering keek toe / zag het, zonder een plek te geven / mensen rondom met een mening / / van geen betekenis / een toeschouwer en passant / zai het, zonder er acht op te slaan / menigte rondom keek vertwijfeld / / we moeten wel verder / zo gezien haakte een voor een af / dachten, laat maar gauw vergeten / een drenkeling, bibberde ontsteld”.

    Beeldend omschreven

    Handelingen, voorvallen en omstandigheden zijn beeldend omschreven. Ik zie zo de werkwoorden in de regels werken, in de zinnen zijn. Veenhoven schrijft op wat hij ziet, intuïtief wat hij voelt. Gevoelsbeelden. Ervaringsvoorstellingen. Met een half woord moet ik genoeg hebben te weten waar ik sta in het gedicht. Hij laat weg, streept door, om veel te vertellen toch. Ik stel me zo voor dat hij een vertelling heeft te verhalen, gaandeweg in het proces van schrijven en herschrijven doen en laten laat verdwijnen om tot de essentie van de bezigheid of de situatie te komen. Hij doodt zijn lievelingen om een krachtig woordbeeld te scheppen. Proza wordt poëzie. Achterommetjes van de droom.

    Zonder onderwerp. / / stilte / rust / leegte / gedachteloos / vol van / voelen / onbenoemd”.

    Een poëtisch woord… Frans Veenhoven, gedichten. Een allerlei van woorden in gedichten. Eigen uitgave, 2024.

  • Maaike Koning wacht af met het leggen van gelukkigst

    Het is eigenlijk heel herkenbaar. Een ieder die weleens voor bloedafname, een gipsbeen, een scan of een behandeling een afspraak in het ziekenhuis had en heeft. Wachten is dan het eerste wat je doet, want het schijnt altijd te druk en er blijken telkens spoedgevallen tussendoor te komen. In de uitgave WACHT AF van Maaike Koning komt deze passieve handeling van gelaten of gespannen zitten karakteristiek tot uiting. De wachtkamer is de meest suffe plek in het ziekenhuis, maar daar brengen de bezoekers die nog geen of al wel patiënt zijn de meeste tijd door. Daar worden ervaringen uitgewisseld, daar gaan aandoeningen over de tong en komen ziekten ter sprake. Zelden gaat het over het weer, vaker duikt men in nietszeggende lectuur om toch maar iets te doen te hebben. Of staart men gedachteloos voor zich uit, de blik gericht op het digitale bord waarop ooit jou nummer eens verschijnt. Dan ben jij aan de beurt.

    Ziekte in je lijf

    In WACHT AF schrijft Maaike Koning haar zijn tussen hoop en wanhoop van zich af. Het onvrijwillig verblijven in wachtkamers, hopend op een efficiënte behandeling voor haar fataal schijnende aandoening. Maaike Koning is fotograaf en wordt plotsklaps geconfronteerd met ziekte en beter worden. De ziekte die zich als een dief in de nacht aandient. Die ziekte die in je lijf vernietigend bezig is nog voor je er iets van merkt. Of het moet voortijdig ontdekt worden zodat de sluipmoordenaar ingerekend kan worden nog voordat ernstig letsel is toegebracht. “Zwart-wit beelden met ongeveer in het midden een grote vuurrode vlek, alsof de tumor zich schaamde voor haar bestaan.” Koning heeft deze ziekte met de K. Bij haar wordt een zeldzame vorm daarvan gediagnosticeerd. Het wordt behandeld en lijkt weg, maar dan opent het veelkoppige monster een andere muil en is hoop opnieuw wanhoop.

    Naargeestige beelden

    De fotograaf ziet het zich allemaal aan in de verschillende ziekenhuizen en de diverse wachtkamers, wachtend op scans en diagnoses, slecht nieuws berichten, chemotherapieën en positieve uitslagen. Uiteindelijk slaan de behandelingen aan en wordt Koning genezen verklaart. Tijdens deze verblijven neemt ze alles goed in zich op. Duikt niet in de glossy literatuur, maar ziet en hoort zich een en ander aan binnen de vier muren waartussen zij noodgedwongen vele uren moet doorbrengen. Ze maakt foto’s, waarmee ze veelzeggende collages creëert. Zo beeldt zij de emotie van zich af. Platen waarin details van de ziekenhuizen vallen te ontdekken. Er zijn geen herkenbare wachtende figuren te zien, maar de sfeer van het zitten en voor zich uit staren zonder precies te weten van wat komen gaat is tastbaar en aan te voelen. Het zijn naargeestige beelden omdat zichtbaar welke emotie erachter zit. Wat achter het witte gordijn van de behandelkamer schuilgaat. Wanneer je al eens een oproep hebt gehad om je te melden bij de balie, vervolgens op een stoel plaats nam en het grote wachten begon, dan ken je de bedrukte stemming, herken je de details die op de fotobeelden in de uitgave WACHT AF zichtbaar gemaakt zijn.

    Het moeten zijn op een plek waar ze eigenlijk helemaal niet wil zijn schrijft ze van zich af. Projecteert dit onvrijwillig verblijf op de medemensen die zitten te wachten in bedachte samenspraken. Deze anekdotische korte verhalen zijn gebundeld in een boek met een veelzeggend beeld op de kaft: een lege witte stoel in een blauwe ruimte. De zitplaats is verlaten, het wachten is gedaan. Het blauw staat voor vertrouwen en geloof in de toekomst. Tegen het plafond in de hoogte wordt de blauwe kleur intenser, koud en eenzaam; want zo zal Maaike Koning daar vaak rillerig gezeten hebben. Het beeld spreekt van hoop en wanhoop. De lege stoel kan een negatieve uitkomst zijn, het gevoel is onbestemd – is de persoon die daar zat genezen verklaard en huiswaarts gekeerd of …. “Ik ga zo vaak dood in mijn dromen, dat ik meer uitgeput ben dan voordat ik ging slapen. Steeds dat schrikbeeld van moederloze pubers.”

    Ingelijst op de slaapkamer

    Een glazige vis, eenzaam en alleen doelloos rondzwemmend in een verder onbewoond aquarium, symboliseert en relativeert het wachten. Want wat zal Maaike zich daar dikwijls alleen gelaten hebben gevoeld in die kille ruimte. Teruggeworpen op haar gedachten die schommelden tussen weten en vertwijfeling, verschoten tussen hoop en wanhoop. Het vastleggen en navertellen heeft haar mede op de been gehouden. In een dagboekstijl maakt ze mij deelgenoot van het besef dat er licht is aan het eind van de tunnel hoewel meermalen iemand dat licht heeft gedoofd. Die vis speelt een belangrijke bijrol in het verhaal, net als een tamme kraai dat doet. Bas krijgt noodgedwongen de vrijheid maar laat meisje Maaike een veer, die later ingelijst op de slaapkamer tussen kraanvogels op blauw behang hangt. Deze kraaifiguur ziet ze op de meest onverwachte plekken terugkomen, bijvoorbeeld als tatoeage op de binnenkant van een vrouwenpols in de wachtkamer. Ook komt het silhouet in de fotocollages terug. Het is niet de sombere kraai die gebogen over een graf de dood inkijkt, maar juist een vrolijke herinnering aan een tijd van vroeger toen het leven nog goed en onbezorgd leek.

    “richtlijnen naar je betere leven”

    De tekst in het boek heeft een sombere en meestentijds verdrietige ondertoon. Maar merkbaar is dat de schrijfster de moed erin houdt, hoewel ze meermalen zichzelf ongenadig hard tegenkomt. “Ik denk aan de bleke vermoeide vrouw met littekens en punkhaar,  die ik net in de spiegel van de lift zag.” Uit verzonnen dialogen in de wachtkamer proef ik de eigen radeloosheid soms die Koning in derde persoon beleefde en van zich afschrijft. Dikwijls voelt ze zich afgeschreven, maar door zich te richten op kleine lichtpunten die door de donkerte van de ziekte heen schijnen houdt ze zich staande. De naïeve benadering van haar kinderen laat haar de positieve kant van het leven op dat moment zien. De dochter vraagt zich af wat ze met de geamputeerde borsten doen. Ze vindt de getekende rode lijnen op moeder Maaikes’ lichaam voor de bestraling “richtlijnen naar je betere leven. best mooi”. Het maakt de verhalen luchtig en bij momenten wel komisch. Ook de reacties van wachtenden op elkaar werkt de glimlach in de hand. Hoewel deze samenspraken bedacht zijn zullen ze toch op een bepaalde manier zo geregistreerd zijn. Het boek is gedramatiseerd naar realistische gebeurtenissen, maar elke gelijkenis met bestaande personen berust op louter toeval.

    Tussen de bestralingen en therapieën door hangt ze thuis op de bank en kijkt door ziekenhuisseries op televisie naar het leed van ziekere mensen; “ook al zijn het acteurs geeft het me gek genoeg een geruststellend gevoel”. Van de tekst in het boek krijgt de lezer geen negatieve gedachten, de auteur ziet de positieve kanten van het lot dat ze moet ondergaan. Natuurlijk is er een indringende toon, maar de grens tussen hoop en wanhoop kan worden weg gelachen. Niet schaterend, maar wel glimmend. Heel zelden is er een grimlach te bespeuren. Vooral door opmerkingen en handelingen van kinderen blijft de moed erin. Het laat het grootste probleem waarmee de schrijfster in haar mensenleven worstelt niet al te sentimenteel worden.

    “Je hebt al lang genoeg gewacht, mam”

    Het is een bijzonder boekwerk, in een bijzondere jas over een bijzondere maar herkenbare lijdensweg. De teksten zijn afgedrukt op printpapier, terwijl de foto’s op glanzend papier zijn gezet. Tussen de tekstdelen tref ik veel lege pagina’s aan, onbedrukt. Deze zijn genummerd zoals bladzijden in een boek dat zijn, maar de pagina’s met tekst zijn ongenummerd. Alsof Koning de leegte, het wachten, heeft willen kenmerken en de tijd willen geven. Terwijl het verhaal een eeuwigheidswaarde heeft, van alles tijden en qua emotie iedere dag actueel is. ‘Op oudejaarsdag voel ik me altijd een beetje onrustig’, zeg ik.Alsof ik ergens op wacht.’ ‘Je hebt al lang genoeg gewacht mam’, zegt mijn zoon. ‘Eigenlijk wacht je op niks, want morgen is gewoon weer een nieuwe dag’, zegt mijn dochter. ‘Dat niks. Dat is alles’, zeg ik.

    Maaike Koning speelt op de telefoon als afleiding online Wordfeud met haar ouders. In deze Scrabble-app vult ze het liefst de woorden die zij leggen aan voor meer punten. Zo wordt hoop wanhoop, loten kloten, zon gezond en wordt tabel onacceptabel. Met het laatste woord sluit Maaike het boek af. Geluk voor 22 punten. “Ik zou er gelukkigst van kunnen maken voor 46 punten, maar wacht nog even.”

    WACHT AF. Tekst & collages/foto’s Maaike Koning. Ontwerp Esther de Vries. Eigen uitgave in een oplage van 850, 2024.