Tag: Herman van den Boom

  • Ze hielden over ons de wacht

    Vreemde bouwsels verspreid over en in het landschap. Hoog oprijzend maar niet passend tussen bomen en struikgewas, dus daarom de aandacht op zich vestigend. Onwezenlijk in de omgeving als ongedefinieerde bouwwerken van een verleden tijd. Voor en door die tijd open gewerkte torens in een experimentele architectuur. Zijn het follies? Met een decoratief, kunstzinnig of ludiek karakter, zonder doel dan er enkel te zijn. Of dienen ze ergens toe, hebben ze een serieuze functie. Dat hadden ze, ooit, de luchtwachttorens. Want dat zijn het, bouwsels om op hoogte de hemel in de gaten te houden, te speuren naar niet geïdentificeerde vliegende objecten van vijandelijke makelij. Tijdens de Koude Oorlog, waarbij west en oost gescheiden door een muur als kemphanen tegen over elkaar stonden, waren er honderden verspreid over het land opgericht. Nu zijn er nog een paar handenvol van die verdedigingswerken over, als beschermde monumenten vooralsnog aan de sloophamer ontkomen.

    Bij het tot stand komen van het netwerk torens om de veiligheid van het land te dienen was de betekenis ervan voor de verdediging van luchtruim en grondgebied eigenlijk al achterhaald. De uitkijkposten dienden geen functie meer. Werden ongewild en onbedoeld excentrieke toevoegingen in het landschap. In aantal vanuit de lucht gezien een dreiging vormend, onderwijl ze de wacht hielden over het land. Wij konden rustig gaan slapen, want de manschappen – vrouwen kregen geen toegang – van de dienst KLD (Nederlandse Korps Luchtwachtdienst), beschikkend over een best gezichtsvermogen – ofwel behept met arendsogen, speurden handmatig de lucht af op vermeende vijandelijke handelingen. In die tijd van de Koude Oorlog. Er was immers de dreiging van Rusland.

    Het belang en gewicht verloren

    Slechts een enkele maal drong een ongewenst schijnend vliegend object het luchtruim binnen – het bleek een tuig vliegend onder Russische vlag komend van een vliegshow in Frankrijk die enkele luchtfoto’s van de natuur in Limburg wilde maken. Voor de rest van de tijd draaiden de manschappen duimen, onderwijl turend door kijkers met blocnotes in de hand en mobilofoons aan het oor. De wapenwedloop was de torens echter te snel af, want berekent op door propeller aangedreven vliegtuigen bleken de nieuwerwetse straalvliegtuigen te rap voor het blote oog. En was het contact over een mogelijke vijandelijke overtreding te langzaam op de juiste plek om adequaat in te kunnen grijpen.

    De torens verloren het belang en gewicht, werden gesloopt of overgeleverd aan de tand des tijds. Zeventien staan er nog hier en daar door Nederland. Alle met eenzelfde architectonische structuur op de tekentafel ontworpen door Marten Zwaagstra. Wanden met een honingraatstructuur van prefab schokbeton te hergebruiken wanneer de dienst van de torens erop zou zitten. Want de luchtafweer zou tijdelijk zijn, de dienst wist dat de tijd het functionele karakter zou inhalen. Maar dat ging sneller dan gedacht en verwacht. Welgeteld achttien jaren hielden de torens de wacht. Er gebeurde al die jaren niets, de mannen zaten daar op hoogte bij wijze van spreken uit hun neus te vreten in ploegendiensten van drie uren – want ze moesten wel scherp blijven. Ze zagen alleen spreeuwen, uilen en wilde ganzen. Maar vogelkijkhutten behoeven niet door het Rijk worden opgericht en onder bevel vallen van de Koninklijke Luchtmacht.

    Koude Oorlog

    Volgens de uitgave “Het kunstwerk als kunstwerk, luchtwachttorens in Nederland” werden de torens spelers in een absurdistisch theater. Fotograaf Herman van den Boom zette de overgebleven torens op de gevoelige plaat, omdat hij gefascineerd raakte door de surrealistische bouwwerken en het fantastische verhaal erachter. “Een militaire organisatie die haar eigenlijk nutteloze ideeën met grote toewijding realiseert, haar leden in zinvolle uniformen steekt en ze verheft tot redders van het vaderland.” Waar een klein land groot in probeert te zijn, maar te sloom tot actie overgaat. “Een schelmenstreek”, noemt Van den Boom het, “een politiek gemotiveerd theater over een ernstige Russische bedreiging voor de bevolking of gewoon geldbelangen?

    De Russen zijn tot nu nooit komen opdagen. Op dit moment is de dreiging meer voelbaar dan tijdens de Koude Oorlog. Rusland heeft de oorlogstaal uit de koelkast gehaald en opgewarmd tot niet te pruimen kost. Nu zouden de torens van meer belang zijn, ware het niet dat deze tegenwoordig beschouwd kunnen worden als uitgestorven dinosaurussen. Het skelet steekt nog fier boven de bomen uit, maar de kracht is er allang uit verdwenen. Het kunstwerk heeft de huid afgedaan en dient ontveld geen enkel doel meer, anders dan dat het herinnert aan voorgewende spannende tijden met een denkbeeldige vijand. Pas nu is deze fantasie werkelijkheid geworden en beheerst dit het wereldbeeld negatief.

    Verdedigingswerken

    Herman van den Boom heeft met de fotocamera in de aanslag de resterende militaire follies bezocht. Er van alle kanten platen van geschoten om de historische waarde in beeld te brengen. Hoewel deze rotte tanden vloeken in de omgeving zijn ze van onschatbare waarde voor de geschiedenis van Nederland. Doordat ze eigenlijk nooit een duidelijk omschreven doel hebben gediend, omdat de dreiging enkel op papier bestond. Theoretisch was er een noodzaak, terwijl in de praktijk het een onnodige actie was. De foto’s in het boek lichten deze bijzondere angststoornis uit. Vanuit de vrees voor de oost heeft het verleden unieke bouwwerken nagelaten. De erfenis van de Koude Oorlog, die pas decennia na de val van de muur warm is geworden, laat een indruk achter van angst en vrees.

    De verdedigingswerken trekken sporen in de omgeving, maar doordat het overgrote deel is verdwenen kan het bedoelde netwerk niet meer worden ontdekt. Achteraf gezien is het jammer dat er zoveel al zijn verdwenen, maar niet verwonderlijk omdat zonder functie de torens eerder een sta in de weg waren dan ter meerdere eer en glorie van het landschap beschouwd konden worden. Over horizonvervuiling gesproken. De betonnen bouwsels kunnen nu worden bezien als kunstwerken in de zin van cultureel waardevolle herinneringen. “Men herkent er een torenachtige structuur in, of een klimhek, of misschien iets voortgekomen uit de bouwdoos van een gigantisch kind…

    Het zijn spelingen van een maatschappij die werd gedreven door angst voor een vermeende vijand. Laten we deze bouwwerken koesteren, hoewel ze te lelijk zijn om aan te zien zijn deze te mooi om neer te halen. Het boek vertelt naast de verbeelding het verhaal van de luchtwachttorens. Daardoor is het een fotoboek, maar ook een historisch verantwoorde uitgave. Heb ik me met de fotograaf ooit verbaasd over het bestaan ervan, nu ken ik het doel en de veronderstelde noodzaak. Het is een bladzij in het geschiedenisboek die niet hoort te worden uitgescheurd. Met zijn uitgave stelt Van den Boom dit vast en voegt juist een pagina toe. Een katern in de canon van Nederland.

    Het kunstwerk als kunstwerk. Luchtwachttorens in Nederland. Herman van den Boom, fotografie. Uitgave Verbeke Foundation, 2021.

  • 101 MOVIES: urbexfotografie avant la lettre

    Rijd je door een leeg landschap, onherbergzaam zelfs, een open vlakte, hier en daar een versteende boom of een joshua tree. De ruime ruimte langs de boorden van met name Route 66, een lange historische rit dwars door de Verenigde Staten van Amerika. De weg is helaas als hoofdweg tussen staten gesloten in 1985 omdat het traject irrelevant was geworden vanwege het Interstate Highway System. Maar die toeristische route dus door het landschap van de onbegrensde mogelijkheden. Op die vlakke gronden doemen van de weg af gezien voor Hollandse begrippen onwerkelijke objecten op. Grote schermen, billboards, vervallen bouwwerken die een groots verleden ademen. Het kenmerk van de roaring fifties. Herman van den Boom kon in 1976 de toen nog normaal in gebruik zijnde route volgen op zijn zoektocht naar drive-in theaters. Want dat is wat gezien werd vanaf de route als verlaten kunstwerken in die weidse atmosfeer. Langs ’s heren wegen  laat hij in dynamische beelden de road movie vastlopen, zet hij de herinnering stil en documenteert zodoende het leven.

    Is de traditionele bioscoopzaal meestal volgepakt met mensen, hoofden in allerlei soorten en maten – grote en kleine, kalende kruinen en weelderige bossen haar, die dan vooral in de weg en voor het beeld zitten. En neemt er net voor jouw een dame plaats met een veel te grote en te hoge hoed op, zodat dit obstakel het kijkplezier danig in de weg zit. In de drive-in bioscoop bestaat dit probleem niet. Vanuit de veilige ruimte en intieme sfeer van de auto kun je de film door de voorruit kijkend volgen op een immens groot scherm. Het is als televisiekijken, nog voordat dit begrip op het hoogtepunt van de drive-in alom bekend werd. Drive-in bioscopen zijn een fenomeen in de Verenigde Staten van Amerika, waar alles groot-groter-grootst en groots moet en kan zijn. Er is ruime ruimte genoeg.

    Voor filmprojectie ingerichte terreinen

    De autobioscoop beleefde het hoogtepunt in de jaren 50 van de vorige eeuw met ruim 4000 terreinen verspreid in het landschap, maar was in de decennia daarvoor en daarna ook al een populair concept. Bezoekers konden uitgaan, maar tegelijkertijd toch in privésfeer samen binnen zijn als vrienden of als gezin en belangrijker nog als verliefd stel. In het Amerika van die dagen waren seksuele avances in het openbaar namelijk verboden. Enkel met Valentijnsdag en alleen dan mocht men elkaar in het openbaar zoenen. Geen wonder dat de laatste rij auto’s op het terrein van de drive-in bekend stond als lovers’ lane, daar was minder oog voor de film maar meer voor elkaar. In de jaren 60 verloor de bioscoop in deze vorm aan populariteit. Deze filmzalen zonder muren bleken op den duur weinig rendabel, de (geluids)kwaliteit hield te wensen over en filmmaatschappijen wilden niet meer dat hun blockbusters hier werden vertoond.

    Van de duizenden voor filmprojectie ingerichte terreinen zijn er naar verhouding weinig overgebleven, misschien nog enkele die in gebruik zijn gebleven of opnieuw opgetuigd tijdens de coronapandemie. De verlaten gronden in een gecultiveerd landschap met vervallen schermen en reclameborden zijn een gewild en gewillig onderwerp voor fotograaf Herman van den Boom. Hij bezocht de Verenigde Staten van Amerika zodoende om deze plekken vast te leggen, de overblijfselen van een tijd voordat de kijkkasten de huiskamers hadden veroverd. Voordat een bulldozer deze laatste historische plekken van de cinema en plein air met de grond gelijk zal maken en er in de omgeving niets meer herinnert aan de film en het kijken, heeft hij deze typisch Amerikaanse plekken van samenkomst en recreatie als een document vastgelegd, gearchiveerd.

    Platen in zwartwit

    Het is een wonder dat er op het moment dat Van den Boom op zoek gaat en het land afstroopt er toch nog zoveel van deze theaters bestaan. In Nederland zouden deze allang zijn opgeruimd zodra ze werden verlaten, want wij vegen ons stoepje graag schoon. Na diverse tentoonstellingen kreeg de serie pas in 2022 een uitgave in de vorm van een fotoboek. Het boek ‘101 movies’ laat zijn speurtocht naar deze bijzondere plekken zien. Hoewel de ruimten praktisch waren ingericht en destijds dubbel en dwars aan het doel beantwoordden, lijken het nu mysterieuze plekken in het landschap. Unheimische bakens in de overwegend lege en aangeharkte omgeving. Even spookachtig als de leeggelopen mijnwerkersdorpen alwaar tumbleweed door verlaten straten tolt. Een natuurlijk decor voor een wilde western. In deze sfeer en in die reeks van unieke bezienswaardigheden die een tijd van weleer fluisteren kan de drive-in worden geplaatst. Destijds was het er een vrolijke bedoening, een drukte van belang met af- en aanrijdende auto’s, nu is het er griezelig stil in de leegte van de verloren tijd.

    Het vastleggen van vervallen drive-in bioscopen kan geschaard worden onder urbexfotografie. In dat metier is het alsof fabrieken en huizen, paleizen en kerken overhaast  zijn verlaten. Het interieur staat er zo bij dat het gisteren nog werd gebruikt en morgen verleden tijd is. Het stof en de rag tonen aan dat de gebouwen al langere tijd in onbruik zijn geraakt, maar ze ademen nog altijd de sfeer en stemming van weleer. In het opgeruimde Nederland zou een dergelijk pand allang met de grond gelijk zijn gemaakt, hoewel er hier en daar in het Hollandse landschap nog wel enige zijn te vinden waar dit gevoel kan worden ervaren. Vooral over de grens verschuilen bouwvallen zich tussen bomen en op privégronden. De fotografen die deze plekken bezoeken moeten er dikwijls veel moeite voor doen om binnen te geraken. Meestal is de plek afgezet met hekken en zijn de ramen dicht getimmerd: no entrance, verboden toegang. Maar wanneer men binnen is kunnen de mooiste sfeervolle platen worden geschoten getuige de fraai vormgegeven fotoboeken die daarvan getuigen.

    Op de manier als dat ik die fotografie van vervallen gebouwen bekijk blader ik door het boek van Herman van den Boom. Mij verwonderend over de platen in zwartwit. Er staan geen kleurenfoto’s in zodat de sfeer die is vastgelegd nog meer buiten de tijd valt. Van den Boom hoeft geen moeite te doen om de terreinen te betreden. De schermen en verwijsborden staan vrij in de ruimte, als stilzwijgende herinneringen. Bakens in de tijd, een vervlogen periode van amusement. De plekken schijnen zo te zijn achtergelaten nadat de laatste film is afgetiteld en de auto’s zijn weggereden: the end. Ze ademen een onwerkelijke sfeer. Decors van een film, terwijl het onderdelen zijn om juist de film op te projecteren en te aanschouwen. De drive-in is zelf tot bezienswaardigheid geworden. De grote witte schermen, nauwelijks verkleurt door weer en wind in de tijd, staan klaar om als dragers te dienen voor bewegend beeld. Maar de dynamiek is eruit, de recreatie is geworden tot creatie. Creaties, producten van een tijd die nu terugkijkend overladen is met nostalgie. De maaksels herinneren ons aan een wereld toen geluk heel gewoon was, schijnbaar betere tijden.

    Verwaarloosde materiaal

    De reclameborden schreeuwen allang niet meer om de aandacht. De neonreclame is gedoofd, maar prijst nog de laatste film aan. De drive-ins waren al attracties, maar zijn nu toeristische bezienswaardigheden. Met weinig opsmuk, simpel om doelmatig om de filmliefhebbers van toen te bedienen. Nu zijn het ruïnes die het landschap niet verfraaien maar wel decoreren. De fotograaf verheft de plekken tot kunstwerken. Portretteert de schermen, maar toont ook de achterkant die meer interessant is. Het geraamte van het functionele kunstwerk is meer bezienswaardig dan het gladde en effen scherm zelf, het geeft kijkplezier XL. De zwartwit fotografie maakt het verwaarloosde materiaal tot een dramatische documentaire. Tegen een strakke lucht of aangrijpende wolkenpartij speelt de drive-in de hoofdrol in een decor van door mensen aangeharkt landschap. Overdag is het een onwerkelijk schouwspel omdat het natuurlijk bedoelt is om in het donker te stralen. Maar ook in de avond blijft het daar nu duister, licht ook de reclame niet meer op. Het terrein ligt er verlaten bij, de bandensporen van limousines en ander rijdend materiaal zijn gewist, het doek blijft leeg, pijlen wijzen naar niets. The End.

    101 MOVIES. a survey of American drive-in theaters / 1976. Herman van den Boom, fotografie. Klaus Honnef, voorwoord. Uitgave Éditions Yellow Now, 2022.