Tag: Peter Knipmeijer

  • Het voormaolig stàdsie Utreg van Peter Knipmeijer

    Karel V, wie kent hem niet? Voor de onwetenden dan, een korte uitleg. Karel V, levend van 1500 tot 1558, was keizer van het Heilige Roomse Rijk en koning van Spanje, en heerste over een uitgestrekt Europees wereldrijk. In 1545 verbleef hij in Utrecht in het Duitse Huis, waar een bijeenkomst van de Orde van het Gulden Vlies plaatsvond. Het huidige Grand Hotel Karel V is naar hem vernoemd ter herinnering aan dit historische bezoek. Punt.

    En Peter Knipmeijer, kent iemand hem? Jawel, want hij is een Nederlandse dichter, geboren in 1970. Hij debuteerde in 2010 met de bundel Tweelingsterren en was van 2012 tot 2018 lid van het Utrechts Stadsdichtersgilde. Hij woont tegenwoordig in Terneuzen en publiceert gedichten in bundels en tijdschriften. Knipmeijer is de bedenker van de topo, een poëtische vorm die hij zelf ontwikkelde en waarmee hij andere dichters inspireerde. Dus.

    Waarom ik deze twee heren in deze bespreking samenvoeg is omdat de chefkok van Restaurant Karel V in Utrecht Knipmeijer in het voorjaar van 2023 de opdracht heeft gegeven 5 gedichten te schrijven voor bij het dan nieuwe menu: “iets met de stad, een mooi loom gevoel, zomerige shizzle en een goeie vibe”. Hoewel Peter van Amersfoort is voelt hij zich toch verbonden met zijn ‘voormaolig stàdsie Utreg’. Voormalig, want de experimentele en vernieuwende dichter Peter Knipmeijer woont nu in Zeeland. Maar het gebeier van de Dom resoneert nog in zijn gedachten.

    Reisgids om emotie van Utrecht te verkennen

    De 5 in opdracht geschreven gedichten vulde Knipmeijer aan met 9 oude en 14 nieuwe, want hij was toch lekker bezig. Het zijn kort en bondige aantekeningen geworden van zijn gevoel bij de stad. Veelal autobiografisch – zichzelf geportretteerd langs de grachten, over de bruggen, in de werfkelders – daar net als bij kunstschilders jij zelf het beste model bent. Van de 28 schetsen heeft de dichter een dun boek samengesteld, een soort reisgids om de emotie van Utrecht te verkennen en herkennen. De “Utrechtse notities” is verschenen als deel 43 van de Gaia Chapbooksreeks.

    Been there, done that – ik was daar, maar het er zijn verveeld niet: Utrecht is een prachtige stad, er gaat niets boven. Daarom hoef ik de emoties die Knipmeijer in zijn notities legt niet te verkennen, want ik herken ze alle. Hij weet die stemming en deze sfeer scherp neer te zetten, de ontroering duidelijk te vatten. Niet verwonderlijk dat collega-dichter Ingmar Heytze schreef “Je kunt de man uit Utrecht halen, maar Utrecht niet uit de man”. En hij kan het oprecht weten, want de dichter en performer is op en top Utrechter in hart en nieren.

    Ik waan mij langs de grachten

    Het zijn spitse beschouwingen die de dichter in experimentele poëzie giet. In halve bewoordingen die ik heel kan opvatten. Hij schrijft niet alles wat gezien is, maar ik kan toch de hele sfeer aanvoelen. Knipmeijer heeft aan een half woord genoeg om mij het plaatje helemaal te beelden. Hij maakt zijn zinnen niet af, laat ruimte voor en geeft plek aan mijn idee. De witruimte is adembenemend. Automatisch vul ik dan de stemming aan, aldus zijn de gedichten interactief. Ik dien mijn geest bloot te leggen om de naakte waarheid onder ogen te zien. De dichter geeft de voorzet zodat ik op doel kan schieten. Het ligt aan mijn aanvoelen, of beter invoelen, of ik scoor.

    Bij de gedichten van Knipmeijer waan ik mij langs de grachten en op de terrassen van Utrecht. Voel een bries, merk de zwaluwen in het hemelsblauw en hoor oude klokken galmen. Denk ik een kreeft in de Singel te zien; de excentrieke edelman Everard Meyster had grootse plannen met Utrecht als havenstad. Zo leer ik door dichters woorden nog iets van toen, van jaren her. En er zijn meer aanduidingen die ik naar betekenis opzoek. De notities zijn niet eenvoudige aantekeningen, maar gaan meervoudig dieper de gedachten in. Reflecteren, overdenken, filosoferen.

    Het epopee over de stad Utrecht

    De metaforen vliegen me om de oren. Want wat is er fijner om niet man en paard te noemen, maar de lezer op het verkeerde been te zetten. Zo zodat deze serieus na dient te denken om door te hebben wat de dichter bedoelt. Dat het niet doordeweeks gedicht is, maar buitengewoon afgesloten. Heb je als lezer de sleutel, dan is het vers snel van het slot. “Studentenhuis, jaren ’80 / Iemand die hotelschool / Iemand die diergeneeskunde /  / Altijd geld tekort / Altijd een park met eenden om de hoek” Ik proef vroeger, ik ruik toen, ik weet voorbij.

    Welke gedichten Karel V op het menu heeft gezet wordt niet duidelijk. Dat is overigens van weinig belang. Het is zijn opstap, de aanleiding voor Knipmeijer om zich weer eens op het vrije vers te storten. Het gaat om het epopee over de stad Utrecht. Een lofdicht van de helden van de straat, de grachten, de stegen. Onder toezicht van de Dom, die hoog boven de stad oprijst. De toren losgebroken van de kerk is het juweel van Utrecht, een bouwwerk waar men trots op is. Ooit beklom ik de 465 treden om vanaf een hoogte van 98 meter boven NAP de stad te bezien. Ik doe dat niet meer, het is te hoog – ik vrees al de stoeprand. Knipmeijer wijdt een speciaal vers aan de Dom. Dat heeft het verleden als onderwerp, de geschiedenis van de toren. Het wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe. Een journalistiek gedicht derhalve.

    Oude klokken galmen links en rechts

    Het meest in het oog springend zijn de dichtwerken 23 tot en met 26. Deze hebben het afscheid als thema, het wegdragen van een vader. Wat de verhouding van de dichter tot deze mens is blijft ongewis. Hij duidt echter scherpzinnig wat er plaats heeft tijdens een dergelijke gang. Het laatste gedicht voordat de DOM ter sprake komt, nummer 27, is het afscheid van het zijn van leven. De weemoed spreekt er boekdelen uit, de spijt, het zelfverwijt. Want hoe vertrouwd klinkt deze emotie: “Je kan jarenlang / Op een terras gezeten hebben / Maar altijd met de rug gekeerd / Naar waar je blik had willen zijn /  / En je kan jaren later / Op een terras belanden / Jezelf opnieuw verliezen in hemelsblauw”. En ik merk de zwaluwen op, voel een bries terwijl oude klokken links en rechts galmen. Wanneer ik de stad eens weer bezoek.

    “De ‘Utrechtse notities’ zijn onontbeerlijk voor iedereen die iets met Utrecht heeft, met goede poëzie, of allebei.” Deze kritiek liet Ingmar Heytze op de achterkant van de bundel afdrukken. Hij neemt mij de woorden uit de mond. En een ieder die het boek tot zich neemt en de gedichten beschouwt zal dit beamen. De notities schetsen de stad en zijn gegoten in opvallend dichtwerk. Om Utrecht te leren kennen of de stad weten te onderschrijven hoe Knipmeijer het zich heeft gedacht. Een gids tot en naar een eeuwige zomer in soft focus.

    Utrechtse notities. Gedichten. Peter Knipmeijer. Uitgave Gaia Chapbooks, 2025.

  • Het plezierdicht is een variatie rijker: de topo

    Het is dikwijls zo. Dat iets eenvoudiger lijkt dan dat het is. Dat het makkelijker is een sinterklaasgedicht te rijmen, dan poëzie te schrijven. Maar hoe zit ik niet te zweten om bij een cadeau de juiste woorden te vinden. Woorden die grammaticaal correct passen in zinnen die toch nog wel ergens op slaan. Want de boodschap moet toch wel overkomen. Niet in een of ander Bargoens of fout dialect opgesteld, maar steekhoudend de ontvanger tot uitpakken verleidend. Het kan scherts zijn. Iemand anoniem op de hak nemend, want de ondertekening is toch altijd de bekende Sint en Piet. Maar komt de lezer niet goed uit de door de gever gebralde woorden, dan gaat deze laatste er zich mee bemoeien en geeft de ware Sint zich prijs.

    Het plezierdichten lijkt meer eenvoudig dan dat het in werkelijkheid is. Het schijnt zo makkelijk geschreven, ex-tempore. In het light verse zijn diverse vormen te onderscheiden. Maar altijd gaan ze net een sport hoger dan die 5 december rijmelarij. Want dat kan een ieder beoefenen. Iedere analfabeet zoals dat heet. Zolang het maar over het geschenk gaat, sprekend loopt en zingend rijmt. Maar van een versvoet of een metrum heeft de amateur in deze nog nooit gehoord. Wanneer het op het oog goed lijkt en op het gehoor juist klinkt krijgt het dichtwerk een voldoende. Maar de echte poëet wil toch een treetje hoger, een stapje meer. Deze wenst een format waarbinnen het schrijven gepast en gemeten kan worden. Deze wil een uitdaging.

    Peter Knipmeijer, topo, google maps, kompas

    Geografische aanduiding op Google Maps

    Het light verse dus of in beter Nederlands het lichte vers kent verschillende verschijningsvormen. Onlangs is aan de reeks van limerick tot ollebolleke een nieuw fenomeen toegevoegd. De topo. Bedacht door dichter Peter Knipmeijer. Een dichtvorm die toegesneden is op de moderne technologie van het internet. Het onderwerp van het vierregelig gepaard rijmende gedicht is een plek op de wereldkaart. Ofwel een geografische aanduiding op Google Maps of een soortgelijke app of site. Deze screenshot vormt dan het laatste woord of een gedeelte van de slotzin van het gedicht. Het verliest echter de eigenlijke aardrijkskundige betekenis en is niet enkel een bijwoordelijke bepaling van plaats. In het beste geval heeft het vers een link met de omgeving van het gekozen dorp, de stad of de streek. Het metrum tot slot is de jambische parameter.

    Op reis door Duitse gewesten ontdekte Knipmeijer een groot aantal met eigenaardige namen benoemde dorpen. Als plezierdichter was hij van mening dat deze namen schreeuwden om een bijpassend vers. Dus vond hij tussen neus en lippen door een versvorm die aansloot op zijn idee. Deze noemde hij de topo. Of #topo in vaktaal. Een aantal mededichters raakte enthousiast door het eenvoudige maar lastige rijmschema. En nog steeds dijt de groep van beoefenaars van dit vrije vers uit. De resultaten zijn vooral te vinden op de sociale media. Van de eerste lichting topo’s liet Knipmeijer een bundel samenstellen. Zijn productiviteit en dat van de andere dichters ligt hoog. Er kan en zal zo wel een tweede of derde bundel volgen. Er zijn namelijk geografische aanduidingen in overvloed. De ene nog poëtischer dan de andere. Onderwerpen in ruime mate voorhanden.

    Peter Knipmeijer, topo

    Godfried Bomans overtreffen

    Hoewel Peter Knipmeijer de bedenker is van deze versvorm, vindt hij dat de eer naar Godfried Bomans gaat. Deze schrijver heeft zonder het te weten een prototopo geschreven. Aan het slot van een limerick, we schrijven het jaar 1961, bediende hij zich van een topografische woordspeling die model kan staan voor de moderne topo. Als schrijver kan ik volgens voorstel van Knipmeijer de uitdaging aangaan om Bomans te overtreffen. Hijzelf en een dertiental met hem deden dat. Maar liever geniet ik gewoon van de diverse spitsvondigheden en flauwe woordgrappen die in de bundel TOPO de revue passeren.

    Het zijn er welgeteld 95 stuks die door de ballotage in de bundel terecht zijn gekomen. Ze lezen makkelijk weg, voor de vuist zoals dat klinkt. Hebben een begrijpelijk slotwoord waarvan ik de duiding in een enkele gedachte begrijp. Maar er zijn erbij die ik een paar maal moet lezen voordat het kwartje valt. En er zijn erbij die te flauw en afgetrokken zijn voor woorden. Met het grote aantal plaatsnamen die er op de aarde zijn lijkt de inspiratie schier onuitputtelijk. Vooral wanneer diverse dichters een eigen vers op eenzelfde plaatsnaam maken. Bekeken vanuit een ander standpunt.

    Peter Knipmeijer, topo, google maps

    Schreeuwt om geciteerd te worden

    Je zou de topo een omgekeerde limerick kunnen noemen. Maar in de limerick behoudt de plaatsnaam de geografische betekenis. Terwijl in de topo deze dat juist verliest en de woordelijke dan wel letterlijke betekenis van het woord krijgt. Het is aanlokkelijk om op deze plek te strooien met voorbeelden. Want de ene topo is nog lyrischer en geestiger dan de andere. Het schreeuwt om geciteerd te worden. Echter zonder de screenshot, zodat eigenlijk de bal naast het doel geschoten wordt. Maar toch, het zij te proberen. Ik lepel een tweetal op van de meester hemzelf. “Ik was laatst in een eethuis hier aan zee / Bestelde zacht gegaarde tongfilet / Die obers daar, die moesten mij wel haten! / Ik kreeg geen vis, ik kreeg alleen Margraten.” “Mijn buurman, Canadees, spreekt enkel Frans / En Frans voelt zich daardoor nu heel wat mans / Zelfs boven Jan maar dat is niet zo gek / Want Jan is een enorme Jan Québec.”

    Op Facebook worden de topo’s veelvuldig gepost. Het digitale platform is een mooie manier om de verzen de wereld in te krijgen. Knipmeijer zelf als godfather van het genre roert zich er. Maar bijvoorbeeld ook de meer serieus geachte Rikkert Zuiderveld leeft zich uit in het vrije vers, het plezierdichten. Hij weet sublieme topo’s op schrift te stellen, maar was er te laat enthousiast mee om de gedrukte bundel te halen. Maar wie weet staat hij in een volgende druk met “De Haagse euj, de Vlaamse zachte g, / het Mokums aai, de scherpe Grunn’ger t, / dat alles heeft zijn eigen logica. / Maar eentje hoor je noot: de Drentsche Aa.” Maar voor de bundel had Knipmeijer zich daar al over gebogen, dat mag de pret echter niet drukken: “In Tilburg woont mijn tante Desiree / Zij heeft zo’n hele mooie zachte g / In Assen woont mijn tante Agatha / Zij heeft een niet te harden Drentsche Aa.”

    En ik dacht stoutmoedig toen ik de topo’s op internet zag, dit genre in een handomdraai wel aan te kunnen. Had ik in het verleden immers weleens een haiku geschreven en me gemeten met een ollebolleke. Maar niet op de hoogte zijnde van de regels en voorschriften, werd ik terecht schoolmeesterlijk terecht gewezen. Maar na het lezen van Knipmeijer’s bundel wil ik dan nog een poging wagen:

    In Friesland daar is de eend het haasje / De jager noemt dit ferdivedaasje / De jonge kuikens vinden er de dood / Omdat de onverlaat de

    Peter Knipmeijer, topo, google maps, Jurjen K. van der Hoek

    Topo, Peter Knipmeijer e.a. Uitgeverij Trojka (Brave New Books), 2023.

    Peter Knipmeijer, topo, google maps, kompas, globe