Ik zou het bij me kunnen dragen in de binnenzak van mijn colbert waarin ik woon. Zo´n nep ribfluwelen jasje met State of the Art bloemetjes voering. Het verschiet al van kleur, donkerblauw wordt grijs, maar ik neem er nog geen afscheid van. In die binnenzak draag ik dan ongemakkelijk “S. Carmiggelt Fonkelingen”. Ongemakkelijk, want het is net te groot voor de te kleine zak. Toch steek ik het boekje bij me, als almanak of reisgids voor en door het leven draag ik het mee. Om er naar te grijpen wanneer mij het leven al te zwaar schijnt. Het boekje onder handbereik te dragen maakt het zijn meer draagbaar in stemming en gedachte. Om de zonnige kant in het oog te houden. The bright side of life. Het met een korrel zout te nemen, dat leven. Het te relativeren. Niet dat ik daarmee mijn kop in het zand steek, maar het biedt mij ironisch en soms sarcastisch afleiding de dingen minder au sérieux te nemen.
Het doen en laten op mijn eigen vierkante meter houden zich in de greep. Kijk ik verder en rond om mij heen dan kan de moed mij in de schoenen zakken. De Fonkelingen van Simon Carmiggelt, door literatuurkenner Jeroen Aarten verzamelde citaten, zijn op zo’n moment het recept om mijn broek op te hijsen en met zevenmijlslaarzen op weg te gaan, zonder overigens als een olifant door de porseleinkast te banjeren. Want hoewel ik de zorgen snel van mij afschud blijf ik oog houden voor de gevoelens van anderen. Geeft de wereld mij dan een heftige koppijn brengt de Carmiggelt-pil mij verlichting. Kronkel is hèt recept om een somber en triestige dag op te fleuren.

Oude mannen zonder hobby zijn ongelukkig
Over vrijwel ieder moment en bij welhaast elke handeling kan ik in het boek wel enkele bijpassende regels van relativering vinden. Ieder zijn krijgt zo de smaak van Carmiggelt en zie ik de betrekkelijkheid van een groots leven in. Lees ik in de krant over abortus dan weet ik dat Carmiggelt voor was, alleen dacht hij weleens hoeveel vrienden hij dan niet zou hebben als hun ouders ertoe waren overgegaan. “Ik zou ze missen.” Op maandag herinner ik mij dat Carmiggelt ook zo’n hekel had aan die dag. “Ik vind hem het náárste kind van de zeven, zo’n met groene zeep gewassen gluiperd, die louter deugd uitstraalt en toch onbewijsbaar de kat in het donker knijpt.” Sta ik in de winkel te treuzelen me een bepaald ding eigen te maken weet ik dat iets geheel nutteloos kopen de leukste manier van geld uitgeven is, omdat Carmiggelt mij dat voorschreef. Denk ik aan mijn collectie boeken besef ik dat verzamelaars gek zijn. “Maar oude mannen zonder hobby zijn ongelukkig.” Van Carmiggelt mag ik zelf kiezen. De beschouwingen van Simon Carmiggelt zijn niet meer los te weken uit mijn leven wanneer Fonkelingen is gelezen of zijn oeuvre verder is doorgenomen. Carmiggelt is een ander woord voor observatie, een synoniem voor mijmeren, dus suffen. Wamt mijmeren mag dan qua klank een mooi woord zijn, het heeft erg veel irritante pretentie. Zegt de beroepsgevoelige het liefst stil te mijmeren bij de open haard, dan loopt dit zinnetje Carmiggelt als een hagedis over de ruggengraat. “Waarom zegt hij niet gewoon suffen? Daar komt het toch in de meeste gevallen op neer? Bij mij wel, tenminste.”

Stukjesschrijver: man die niets verzinnen kan
Zittend, eenzaam maar niet alleen aan een rustig tafeltje, in een stille hoek van het café vol sigarettenrook en de reuk van verschaald bier. Of juist hangend aan de drukke bar tussen de luidruchtige stamgasten. Kijken en luisteren, observeren en consumeren. Verstaan wat is gezegd, begrijpen wat wordt gedaan. En dat waarnemen geconcentreerd uitschrijven, in woorden de ervaring optekenen. En vooral oor voor de kwinkslagen en woordgrappen, oog voor opvallende handelingen. Daarmee spelen met taal, ravotten met menselijke tekortkomingen. Carmiggelt heeft een scherpe doch fijne neus voor bijzondere mensen. Hij kan hen feilloos typeren. En maakt ook van de normale mens een bijzonder individu. Zo kronkelt hij door het leven van naamloze kroeglopers die in zijn stukjes naam mogen hebben.
Het lijkt een aimabele man, Carmiggelt, een goedmoedig mens. Zo iemand die pastoor zou kunnen zijn en optimaal is in luisteren. En dan het zijne denkt van wat hij in de biechtstoel hoort, maar geen biechtgeheim heeft. Hij documenteert de gewone mens, de rare snuiter, een vreemde vogel. Zo iemand waarbij onze lieve Heer een steekje in het levenswerk heeft laten vallen. Carmiggelt is zo’n goedzak, die eigenlijk helemaal geen literatuur maakt maar stukjes schrijft. Zoals zijn generatiegenoot Godfried B., die veelal ook door de zichzelf gevestigde orde benoemde pennenlikkers met een laatdunkend scheef oog werd aangekeken. Stukjesschrijvers kunnen geen complete roman aan, vinden zij. Ze blijven acteren op de vierkante centimeter omdat de vierkante meter te hoog gegrepen is, word verondersteld. “Een stukjesschrijver is een man die niets verzinnen kan. Hij kronkelt dan ook in het stof van eerbied voor de échte auteurs, die hele families uit hun duimen zuigen, want hij weet uit ervaring dat hijzelf met zware ketenen zit vastgeklonken aan het leven dat hij dagelijks om zich heen waarneemt.”

Beschrijven van klein geluk
Niets menselijks is Carmiggelt vreemd. Ook kijkt hij in de spiegel en ziet zichzelf. Beschouwt zijn eigenste zelf en kan zo een afspiegeling van de mensen in zijn stukjes zijn. In zijn tijd schreef hij maar ijverig voort, heeft als gevolg daarvan heel wat stukjes afgeleverd om een groot aantal boekjes mee te kunnen vullen. Maar zelf had hij van het stukje schrijven ook geen hoge pet op en zag het als dwaasheden, of andersom gezien zag hij de onzin en stommiteiten van anderen aan om over te schrijven. Tussen mal en dwaas, Louter leugens, Al mijn gal, Vliegen vangen, Kroeglopen, Weet ik veel, Mooi weer vandaag, Vroeger kon je lachen – zomaar een rijtje titels van boeken met verzamelde stukjes.
Carmiggelt was een meester in het beschrijven van het kleine geluk, maakte van het grote leed een korte snik. Want hij proostte nog eens op het leven, bleef lachen al was het vaker wel een grimlach en laat de lezer door zijn stukjes de betrekkelijkheid van de dingen zien, de ijdelheid ervaren. Dat kun je afdoen als literatuur met een kleine l, kunst met een kleine k. Maar de tijd blijkt anders te willen. Waren C. en B. lange tijd verdwaald tussen het koren, nu steekt hun werk boven het maaiveld uit. Met kop en schouders wordt het postuum gewaardeerd. De verzamelde citaten schitteren in de stukjes, fonkelen tussen de regels door. De one liners zijn niet van de lucht. S.C. komt tot opmerkelijke uitspraken, omdat hij observeert en van daaruit filosofeert. “Applaus is hete wind die even schroeit.” “Dansen is de verticale uiting van een horizontaal verlangen.” “Opvoeden is een nieuwe generatie trachten te vullen met de eigen vooroordelen.” “Slaap is heilig in het dierenrijk. Daarom hebben beesten ook geen wekkers.” “Er schijnt een zonnetje als een verlegen meisje.” Zo kan ik nog wel even doorgaan om met Freek de J. te spreken. En uit welke stukjes de aanhalingen afkomstig zijn wordt met opzet niet vermeld, want de verzamelaar van de meest bijzondere passages hoopt dat het glinsteren lezers aanzet tot het (op)nieuw ontdekken van het bijzondere oeuvre van Simon Carmiggelt. Dat is de voornaamste reden geweest om de bundel samen te stellen: het werk moet gelezen worden!
S. Carmiggelt FONKELINGEN. Verzameling citaten samengesteld door Jeroen Aarten. Met een voorwoord van Theodor Holman. Uitgeverij Aspekt, 2025.

Geef een reactie