Category: Utjouwerij Hispel

  • Bert de Vries laat Walt Whitman in het Fries spreken

    Het werd mij door de auteur spontaan toegestuurd. Ongevraagd, maar niet ongewenst. Ik zag hem als gast bij een presentatie van dichtbundels een aantal maanden geleden. Over zijn heftige presentatie destijds schreef ik: “De Friese taal die meer krachttermen kent dan welk dialect dan ook, geeft het gesproken woord ballen. Het gespierde woord spreekt zelfs de slechte verstaander aan. Lubbert Jan de Vries las niet voor maar sprak uit, met bladgedicht als geheugensteun. Door zijn hele ziel en zaligheid achter het rebelse gedicht te zetten bleven de zinnen langer hangen. De gebalde vuist van de Friese taal kan beluisterd worden zonder gelezen te zijn.” Maar gelezen moest er dus worden, want De Vries legde mij via PostNL een in de tweede landstaal vertaalde, meest invloedrijke gedicht van Walt Whitman voor: Song of Myself – Liet fan mysels.

    Lubbert Jan de Vries

    Ik schoof het eerst terzijde. Legde het op de stapel van nog te lezen en te bespreken boeken. Een beetje onderaan, zodat het langer uit zicht zou blijven. Want ik mag dan met plezier geschriften in de Friese taal lezen, deze oersetting fan Lubbert Jan (Bert) de Vries is van een ander kaliber. “That’s different, cook,” zoals Louis van Gaal in steenkolenengels zou zeggen. Whitmans werk ken ik niet, dus een vertaling daarvan laat alle alarmbellen rinkelen. Me ertoe zetten het te lezen stelde ik dus alsmaar uit. Tot de tijd begon te dringen. Ik zag Lubbert Jan al onrustig, benieuwd achter zijn laptop zitten, steeds maar mijn website raadplegend of ik al iets zou hebben geschreven over zijn werk. Dus zette ik mij aan de verdaagde opdracht, de vertraagde taak.

    Experiment met vorm en inhoud

    Wie is Walt Whitman en waarom zou je zijn internationaal vermaarde werk overzetten in een taal met een relatief klein bereik? Ed Folsom verklaart dat in zijn, eveneens vertaalde, inleiding: “…sadat elkenien foar wa’t it Frysk it oeroantinken fan taal is it gedicht yn en op ’e eigen tonge fiele kin, yn it eigen fleis.” Internet raadplegend weet ik nu het een en ander over deze negentiende-eeuwse Amerikaanse poëet met Engelse en Nederlandse wortels, Walt Whitman. Die met zijn werk destijds de gezapige en ingedutte dichtwereld danig heeft opgeschud. Hij deed met de poëzie wat Van Gogh deed met de beeldende kunst en later Mondriaan en Picasso, Lucebert en Ginsberg. Hij liet zien dat een vast vormschema en het traditionele rijm helemaal niet nodig waren om de zinnen te laten golven, de woorden te doen beklijven. Wat we nu experimentele poëzie noemen: poëzie die afwijkt van de traditie door te experimenteren met vorm en inhoud. Het loslaten van rijm, metrum, regelmaat van de regellengte of indeling van de verzen. Meer gebruik makend van het wit, waarin de weggelaten woorden of gedachten voor zichzelf spreken.

    Walt Whitman

    Walt Whitman schrijft in vrije verzen, los, ademend, bijna alsof hij spreekt. Dat was in zijn tijd revolutionair. Zoals de expressionisten de klassieken wakker schudden. Het is een lied van mijzelf, over het eigen ik in de wereld van het zijn. In de kern is Song of Myself een viering van het zelf, maar niet in de zin van egoïsme. Geen zelfvergoding of eigenliefde, het is geen uitgedijd narcistisch gedicht. Whitman stelt dat zijn eigen bestaan verbonden is met alles en iedereen: het lichaam én de ziel, de natuur, andere mensen en zelfs met leven en dood.

    Leven dat uit leven voortkomt

    Song of Myself laat zich niet lezen als een tekst die iets wil zeggen. Het is eerder een tekst die wil zijn. Een aanwezigheid. Bij Walt Whitman begint het “ik” niet bij de grens van de huid. Het is geen afgesloten lichaam, maar een doorgang. Een plek waar de wereld doorheen stroomt. Er zit iets eigenaardigs in die beweging. Het is geen identiteit die zich vastzet, maar een die zich juist oplost. Alsof het zelf pas werkelijk wordt door zich te verspreiden. Het gedicht groeit dan ook niet in een rechte lijn. Het zwelt. Het dijt uit. Zoals gras dat geen centrum kent, maar overal tegelijk verschijnt. Misschien is dat ook waarom Whitman steeds weer bij dat gras uitkomt: het is laag, gewoon, maar tegelijk een teken van iets dat alles verbindt – leven dat uit leven voortkomt.

    Walt Whitman

    Na het lange gedicht is in het boek het voorwoord uit Leaves of Grass opgenomen, tevens in een Friese vertaling. Dat voorwoord leest niet als een gewone inleiding, niet als een verklaring vooraf van wat komen gaat. Het is eerder een stroom gedachten. Een bezielde beweging van woorden. Alsof Whitman al schrijvend zoekt naar wat een mens eigenlijk is en wat poëzie kan doen. Niet de verheven mens alleen telt daarin mee. Niet enkel zij die geschiedenis schrijven of macht bezitten. Maar juist ook die anderen. De alledaagse mens. Figuren die langs ons heen bewegen. In de straat. Op het plein. Langs de rand van het bestaan. Mensen die we eenmaal zien en daarna misschien nooit meer terugzien, maar die toch blijven hangen in het geheugen. Als een onverklaarbaar déjà-vu. Whitman haalt hen uit de anonimiteit. Alsof ieder mens een eigen universum met zich meedraagt. Een binnenwereld die doorgaans verborgen blijft onder het oppervlak van het dagelijkse. Het gaat hem om een gelijkwaardigheid van bestaan. Alsof geen enkel leven er zomaar is.

    Het gedicht zwerft

    Ook het lichaam krijgt bij hem een plaats die in zijn tijd ongewoon moet hebben aangevoeld. Het lichaam hoeft niet overwonnen of verstopt te worden. Ademhaling. Huid. Verlangen. Aanraking. Het behoort allemaal tot het mens-zijn. Ziel en lichaam zijn geen tegenpolen, maar bewegen samen op. Zoals wind die door het gras trekt. Het voorwoord tot Leaves of Grass dwaalt. Het gedicht Song of Myself zwerft. Van de straat naar de sterren. Van het tastbare naar het ongrijpbare. Van een grasspriet naar de kosmos. Soms lijkt Whitman zichzelf onderweg kwijt te raken in zijn eigen woordenstroom. Maar misschien is juist dát de bedoeling. Het leven laat zich immers ook niet strak ordenen.

    Die gedachte van dwalen en kwijtraken werkt hij uit in Song of Myself. Het gedicht begint met de beroemde woorden: “I celebrate myself.” Een zin die gemakkelijk verkeerd begrepen kan worden. Alsof hier iemand zichzelf verheerlijkt. Maar gaandeweg wordt duidelijk dat dit “ik” veel groter is dan enkel de persoon Whitman zelf. Alsof de dichter zichzelf probeert te laten samenvallen met alles wat leeft. Alsof ieder mens deel uitmaakt van hetzelfde grote ademhalen.

    Whitman maakt nauwelijks onderscheid tussen hoog en laag. Het voorname bevindt zich niet enkel in kerken, boeken of verheven gedachten. Het zit ook in arbeid, stof, zweet, huid en aanraking. Het alledaagse krijgt bij hem iets bijna heiligs. Soms leest het gedicht alsof Whitman door de wereld zwerft en alles tegelijk wil opnemen: geluiden, lichamen, landschappen, mensenmassa’s, blikken, bewegingen. Niets mag verloren gaan. Alles draagt betekenis. Whitman probeert misschien vooral te zeggen dat achter het gewone iets groters schuilgaat. Dat mensen meer zijn dan zichtbaar is. Dat onder alle afzonderlijke levens een verborgen samenhang bestaat. Zoals gras. Schijnbaar eenvoudig. Maar onder de aarde verbonden door wortels die niemand ziet.

    Suver Nuver, Circus Whitman

    Circus Whitman

    Tijdens het lezen van de Friese vertaling van Song of Myself – Liet fan mysels komt een herinnering bovendrijven: de voorstelling Circus Whitman van Suver Nuver. Lang geleden gezien, maar blijkbaar ergens blijven hangen. Niet letterlijk, meer als een sfeer die terugkeert. Iets in Whitmans woorden – juist in het Fries – roept opnieuw datzelfde gevoel op van lichamen, stemmen, beweging en een bijna ontembare veelheid aan leven. Alsof ook daar mensen niet netjes geordend worden opgevoerd, maar verschijnen in hun kwetsbaarheid, vreemdheid en menselijkheid. Misschien zit daar ook iets typisch Fries in. Dat aardse. Dat ongepolijste. Alsof Whitman via de Friese taal opnieuw dichter bij gras, modder, adem en landschap komt te liggen. En ineens blijkt die herinnering aan Suver Nuver niet eens zo ver verwijderd van Whitmans wereld.

    Whitman lezen kan ik niet in één keer door en uit. De vertaling door Lubbert Jan de Vries laat zich ook niet in een enkele dag of nacht doorlezen. De tekst komt binnen. En hoewel ik meen dat poëzie gelezen moet worden om te beklijven, dat voorlezen het begrijpen in de weg staat, lijkt me het positief dat dit werk van De Vries door Lubbert Jan voorgedragen wordt. Met handen en voeten, met brede gebaren en de mimiek hem zo eigen. Het Fries is zijn taal, daarin kan hij zich uiten door er in te leven. Door hem komen de woorden tot leven, meer dan wanneer ik deze voor mezelf uitspreek. “Ik lit myn barbaarske gjalp klinke oer de dakken fan de wrâld!” “For every atom belonging to me as good belongs to you.”

    Walt Whitman – Liet fan Myself. Yn de oersetting fan Lubbert Jan de Vries. Utjouwerij Hispel, 2024.

  • Mezelf vinden in de poëzie van Elmar Kuiper

    Is het een afrekening met zijn verleden of een weemoedig terugzien. De voors en tegens in je leven tegen elkaar afstrepen, vereffenen, doe je dat als het einde nadert? Natuurlijk gezien natuurlijk, wanneer de jaren gaan tellen. Zo van, deze schuld heb ik openstaan en dit is mij de ander nog schuldig. Om met een schone lei te vertrekken, wanneer het moment daar is om uit de tijd te gaan. Terugzien is overladen met romantische denkbeelden, hoewel meestal de kwade zaken beklijven. Er is genoeg om vol melancholie aan terug te denken, voor het voetlicht te halen. Maar is dat verleden, mijn eergisteren en gisteren, wel interessant genoeg voor anderen om er kennis van te nemen.

    Wie ben ik, wie is Elmar Kuiper, om dat met de wereld te delen. Zijn terugzien evenwel overlapt mijn omkijken, omdat wij vrijwel van dezelfde leeftijd zijn en zo uit eenzelfde generatie stammen en daardoor in een eender tijdsgewricht zitten. Dan wordt het interessant. Ik herken en herleef. En daarbij heeft Kuiper de gave om in taal de belevenissen universeel te maken, zodat het een ieder zal kunnen aanspreken. Het is zijn verhaal, maar dit kan over verschillende levens gelegd worden. Zijn nieuwe bundel gedichten is wel autobiografisch, maar individueel invoelbaar voor een lezer zoals ik.

    Lânskip, mingde technyk op papier, 30 x 20 sm, 2022

    Herkenbaar en beleefbaar

    Wat was in zijn leven en de wereld van toen vat Elmar Kuiper samen, om niet te vergeten. “Ferlosboartsje” heet het boek en is gesteld in zijn moerstaal het Fries of Frysk zoals men in Friesland zegt, en dat is dan weer Fryslân. Maar genoeg daarover. Terwijl hij schrijft kijk ik over zijn schouder mee in dat verleden naar die tijd van toen. Bij wijze van spreken. Want het is al geschreven, voltooid verleden tijd. Dat wat was kan ook maar alleen uitgeschreven, anders wordt het vandaag en morgen een kwestie van koffiedik kijken.

    Ferlosboartsje, dat is tikkertje met verlos. Tikkertje met één tikker die tikker blijft. Als iemand is getikt dan gaat deze aan de kant staan. De andere spelers kunnen de getikten vrijtikken. Is er nog maar één niet-getikte over, dan wordt de volgende tikker. Dat zie ik gebeuren in het gedicht waarmee Kuiper in 2021 de Rely Jorritsmapriis won, het gedicht waarnaar de bundel is genoemd. Dat is van begin tot eind waar deze poëzie-uitgave om draait. Liefdevol terugzien op het eigen leven als de vader naar het kind. Het eigen zijn doorbladeren en uiteindelijk weten dat jij alleen jezelf kunt bevrijden.

    Niet iedereen is het gegeven om het zo te doen als Kuiper dat doet. Om het voor een ieder herkenbaar en beleefbaar te maken. Niet altijd zijn de juiste woorden te vinden voor een zeker gevoel. Maar wanneer je met de mond vol tanden staat en zijn gedichten erbij neemt en deze doorleest schept dat een band. De dichter kruipt in mijn wezen, het dichtwerk is mijn zijn. Zo zijn er raakvlakken en is de bundel welhaast een deja vu, een herbeleving. Ik was daar ook, ik maakte dat ook zo mee. Been there done that. Ik wie der, ik die dat.

    Op het moment dat ik de bundel in handen krijg, lees ik de achterkant nog voor ik de binnenkant heb open geslagen. Voor mij is het op de kaft gedrukte lichte belijdenis nummer 8 al genoeg bewijs. “ik wol net yn ‘e grûn (te kâld) of yn it fjoer (te waarm) / ik wo net yn in kiste. ik wol gjin stien. lis / / it stoflik / omskot / / ûnder de apelbeam. rop de roeken / dy’t pleisterje by it kanaal. lit se / / tsiere om it each,. om ‘e lever, om it hert. ik wol / / gjin speech, mar skrassende / / lûden, reade / snaffels.” En dan ook nog het eerst korte gedicht waarmee de bundel opent maakt voor mij de cirkel van het leven rond. Het is genoeg. Wat daarna volgt is een invulling, het kleuren binnen de lijnen, citaten uit een biografie.

    Jong selsportret, mixed media op papier, 2024

    Kuiper reist door zijn leven

    bist it feintsje dat boartet / yn it bargegers, dat broem / broem seit en wiis is mei / syn giele Tonka. bist dat / feintsje út dy oare wrâld

    Een andere wereld dat is waar Kuiper over schrijft. Een ander leven lijkt het, want er is zoveel na gekomen dat doet afzien van de bron. Doet vergeten hoe het allemaal begon. Dat jongetje dat uit de eeuwigheid glijdt en zijn longetjes schoon schreeuwt. Dat geplaagd wordt met zijn hazentanden, MichaelJacksonneus en zomersproeten all over the place. Kijkend in zijn eigen dossier schrijft Kuiper over de haarvaten van zijn leven. Over de bron van zijn bestaan. Op ernstige toon met een humoristische blik. Hij spreekt mij aan, hoewel ik weet dat de dichter het over een derde persoon heeft die ik niet ben. Toch voelt het alsof ik naast hem in de Mazda zit, dat ik zijn gesprekspartner ben en ik zwijg. Ik hoor aan en krui de mest naar de bult, voel de trappers van het rode fietsje onder mijn voeren kraken. Kuiper schrijft zo beeldend dat ik wel in zijn wereld ben of geweest moet zijn. En hij laat mij alle hoeken van zijn wezen zien. Het is dat ik hem ben wanneer ik zijn werk lees.

    Kuiper reist door zijn leven. In de bundel is een tekst van de jonge Elmar afgedrukt. Een vroeg werk dat al de kwaliteit van de latere poëzie in zich draagt. Daar zijn al de wortels in te vinden waar de boom op zal groeien en de takken zich uitspreiden naar de hemel. Het is een verhaal, een belevenis dat toewerkt naar een hoogtepunt maar als een nachtkaars dooft. De verteller in de dop heeft daarna veel bijgeleerd, kent zijn hoogtepunten als dichter en houdt de kaars brandende. In het hoofdstuk ‘dripstien’ speelt hij met taal en schrijfwijze. Experimenteert met mijn fantasie. Over een tijdspanne van vier maanden noteert hij elke dag een korte ervaring. Deze zijn achter elkaar doorlopend over de bladspiegel afgedrukt. Het leest als een logboek, een individueel journaal. Een kortschrift van die dagen, daar en toen, op de reis door een leven. In het hart van dit deel zitten zwarte bladzijden met witte letters. Zeker een afrekening, een vereffening.

    Antlit, mingde technyk op papier, 35 x 25 sm, 2022

    De dood is een vriend

    Het zijn de mensen uit de omgeving van de dichter die woorden krijgen toebedeeld in de bundel. En wonderwel schijnen het mijn mensen. Zo schrijft Kuiper de zinnen van zich af en schuift ze naar mij toe. In zijn kracht weet hij mij gesterkt. Hoewel het over oorlog gaat is de vrede altijd onder handbereik. Bij het leven is de dood nooit ver weg, maar is in zijn taal nergens om van te schrikken. De dood is een vriend, zoals het leven een kameraad is. Het is minder eenvoudig er over te schrijven. Een beschouwing laat zich ongemakkelijk uit tekenen. Om reden dat het dichtwerk mij zo nader komt, zo tegen mij aan schuurt. Het lezen gaat mij makkelijk af en ik zie meteen ingangen, maar om daaraan woorden te geven is geen sinecure. Hij doet in woorden een boekje open, geeft mij inkijk in zijn wezen. Naast dichter is Kuiper ook beeldmaker, beeldend kunstenaar. Jammer is het wel dat zijn werk in de stijl van Cobra kleurloos in de bundel is geprint als illustraties. Het mist op deze manier afgebeeld de kracht die de collages vol humor en cynisme bezitten. Maar het werk staat gelukkig kleurig gepost op zijn Facebook-account en LinkedIn.

    Voorin het boek dat Elmar Kuiper mij toestuurt staat een opdracht geschreven aan mij gericht: “Nije fersen oer it paradys, oer de leafde en de dea”. Dat zet meteen de toon. Hij had daaraan kunnen toevoegen: “Oer myn libben en dat fan dy”. Want dat is het, hoewel hij zijn jeugd en het eigen leven te lijf gaat is dat zo mijn pakkie-an. Tikkertje-met-verlos, hij tikt mij, ik mag niet terug tikken, maar op het laatst laat hij mij los en sla ik verlost de bundel dicht.

    Ferlosboartsje. Elmar Kuper. Gedichten. Uitgave met steun van de Provincie Fryslân en het Nederlands Letterenfonds. Utjouwerij Hispel, 2024.

    Each, mingde technyk op papier, 30 x 20 sm, 2022

  • Vlammende ogen van een beschouwende bundel

    Zou je welhaast aan het eind van de rit, maar echter nog lang niet over de finish, pas gelaagde regels kunnen schrijven, ingedikte herinneringen kunnen noteren. Wanneer je bijna alles van het leven hebt doorgemaakt terugkijken op wat was. Wat indruk heeft gemaakt of waar jij je over hebt opgewonden. Spreken de woorden meer en beter aan, dan wanneer je pas halverwege bent. Moet het leven doorregen met ervaringen zijn om doorwassen verhalen en gedichten te schrijven. Te kunnen schrijven. Het antwoord is ontkennend, maar ondervinding van het zijn is wel een voordeel. Terwijl iedere periode een eigen pluspunt heeft.

    Carla van der Zwaag begon in haar tienerjaren al haar beleving in dichtvorm op te schrijven. Maar welk meisje van die leeftijd doet dat niet. Er zijn zoveel belevenissen te beleven, nieuwe indrukken uit te drukken. Dat moet een uitweg hebben en vindt deze in woorden op papier. Maar een dichtbundel van de Joodse schrijfster Hanny Michaelis zette haar op het spoor. “Nooit had zij Amsterdam zo liefgehad / als op de avond dat hij naast haar ging. / De straatlantarens brandden en er hing / een kleine maan boven de binnenstad.” Het maakte indruk op de jonge Carla, die poëzie van Michaelis. “Maar een verwachting, angstaanjagend zoet, / werd als een wonder ademloos geboren / in de ontroering van hun afscheidsgroet.” Wat zal zij graag zo willen dichten…

    Deze dichter kijkt terug

    Het duurt tot na haar huwelijk, na de opvoeding van drie kinderen en een loopbaan van 25 jaar als juffrouw voor de klas om serieus zich aan het schrijven te zetten. Ik lees deze informatie op de achterkant van haar debuutbundel Mika-eagen. In haar Fryske moedertaal dicht Van der Zwaag over diverse onderwerpen waarop met vreugde en rouw teruggekeken kan worden, thema’s die licht en duister in dit mensenleven tonen maar evenzo goed universeel zijn.

    Deze dichter kijkt terug, want toen heeft op dit moment bij haar een grotere reikwijdte en meer verhaal dan nu en straks. Wanneer je van 1951 bent heb je het meeste wel gehad en kun je best over je schouder kijken in plaats van de neus achterna te lopen. Niet dat er niets meer te ervaren valt waarover geschreven kan worden. Dat is van later zorg. In deze eerste bundel is het goed even pas op de plaats te maken, een moment niet te vergeten, voor het ogenblik de tijd te memoreren. Om in het ritme te komen, het metrum en de rijm. Beeldspraak te eigenen, stijlmiddelen te beheersen en vormvastheid te bereiken.

    Mika-eagen, dat zijn ogen gezien in de vlammen van de oude potkachel waarop de chocoladeketel geurend staat te pruttelen. Het vlammende licht schittert door de kunststof raampjes van de kacheldeur. Door het neergeslagen roet zijn cirkels gevormd, ogen die de kamer in staren. Carla hoort in de knisperende vlammen het vuur smoezen. Als een kip aan het spit draait ze zich in de warmte en is terug in haar kindertijd. “mar swart goud is troch / smoarch hout ferfongen”. Het is de spil waar de bundel omdraait.

    Vier grondgedachten

    Van der Zwaag heeft haar gedichten in deze bundel onderverdeelt in vier grondgedachten. Onder de kop Jeugd zie ik haar dwalen langs de velden van een mij bekende omgeving. In een enkel vers zelfs past het hele levensverhaal van haar moeder. De wereld lijkt weinig groter dan het boerenerf langs de vaart waarin ze tot slot is uitgestrooid. Als pendant is daar het eigen leven van de dichter gezet. Maar haar omstreken reiken verder. Het zijn volop herinneringen, er is genoeg fantasie om op voort te borduren. Belevenissen en voorvallen die anders aangevoeld zijn dan dat deze in werkelijkheid waren. Het is het zijn van toen, het denken van destijds. Om met humor op terug te kijken. Met een glimlach, maar ook ondertussen een traan wegpinkend.

    In de Wereld gaat het over aardse zaken. Van der Zwaag heeft een observerende blik. Elke beweging is aanleiding een regel op te zetten, iedere beroering geeft inspiratie tot een zin. Zwaluwen jagen voor haar neus op muggen. De wind zingt door kale bomen en duwt een fietser in de rug, speelt met meisjeshaar en etst golfjes in de wegebbende zee. Kleurige bermen trekken vlinders aan, hommels vinden nectar in de schoot van kleine klaver. Het is een beeldende vertelling, poëtisch uitgeschreven. De woorden dansen op papier, draaien weelderig om gedachten. Maar niet altijd komt er een herkenbaar beeld boven drijven. Soms sluiten de regels zich en laten na meermaals overlezen vraagtekens achter. De eigenheid is wel sprekend uitgeschreven, maar is te privaat om te doorzien. Het zet meer aan tot nadenken dan de andere frivole dichtsels.

    Het roofje van de wond krabben

    Op vakantie geeft lucht en welhaast onbezonnen verzen. Maar er zit toch telkens een goedmoedig addertje onder het gras. Van der Zwaag brengt lagen aan in haar teksten. Tussen de lagen door kijk ik op, tuur uit het raam en weeg de woorden in mijn staren. Ik zie in gedachten dat wat beschreven een beeld doen ontstaan. Ik zie de schaduw van de wolken over de zeedijk schuiven, ook mijn ogen worden door schuimkopjes naar de andere kant, naar Makkum geleid. Het is een beeldend schrijven, een schrijvend beelden. En ieder verdicht verhaal heeft een plot, een slot dat niet altijd in de verwachting ligt. In de korte boog die ze aanlegt bouwt de spanning snel op, en treft de geschoten peil pijnlijk doel. De dichter krabt het roofje van de wond. De gracieuze dame laat zich bevallig fotograferen voor het oorlogsmonument, totdat ze ontdekt welk bloed er daar ooit heeft gevloeid en hoeveel. Het lachen is haar snel vergaan. Het zijn observaties, beschouwingen. Het geluk heeft scherpe randen, achter de wolken schijnt niet altijd de zon.

    Foto Catrinus van Veen

    En dan is er Ik. Ging het voorheen eerder over de ander, de omgeving, de ervaring. In dit onderwerp schouwt de dichter zichzelf, kijkt naar het beeld in de spiegel. Figuurlijk gaat ze met haar billen bloot. Maar nee, zo naakt staat ze niet voor me. Er moeten woorden blijven voor volgende bundels. Ze kan niet meteen haar hand overspelen. Maar ze geeft wel ruimhartig inzage in haar dagboek. Vooral deze laatste gedichten in de bundel geven stof tot nadenken. Ze is hierin persoonlijk haarzelf en dat schept een band. Het gaat over verlaten en verlies, “lek en brek”, de toekomst is ongewis maar kan wel met liefde worden beleefd. Ze komt onder de steen vandaan, stelt zich open. Het is nog wel wennen, voor het licht knijpt ze haar ogen dicht. “Under stiennen weikrûpe. / It beskûl fan muorren ferlitte. / Modderbaaiend boppekomme. / Wjuklam dochs de moedfearren útslaan. / Swarte harsendrab oan ‘e kant skowe. / It stjonkbist efternei sitte. / Troch blommige greiden strune. / My ûnder de minsken jaan.

    Mika-eagen. Carla van der Zwaag. Gedichten. Uitgave: Utjouwerij Hispel, 2022.

    Carla van der Zwaag, Utjouwerij Hispel
  • Lenige verhalen en beeldende tekeningen voor in frjemde fûgel

    Hoorde ik dat lied van Elly en Rikkert door mijn hoofd galmen. Dat lied van voor ze nog niet het licht hadden gezien. Dat lied waaraan bloemen kleven en dat naar wierook geurt. “Zoals we slenteren langs de wegen / Met onze veren door de regen / Nat gespet / Zoals we vrolijk fluitend tegen / Alle mensen die geen snavel kregen / Zijn we net”. Een tekst die groeide en bloeide in de tijd van hippies, peis en vree. Een eenvoudig rijmende tekst op een aangename wijs. Of de song van een ander duo: “He was a most peculiar man / He live all alone within a house / Within a room, within himself”. Weer zo’n simpel vrolijk deuntje als omlijsting van een tekst die dieper gaat dan de woorden doen vermoeden. Een opgewekte melodie met een grimmige grondtoon. Dat sluit vrijwel nauwelijks aan bij het harde paars op de kaft en die vierarmige rare snuiter met doorgroefd gezicht dansend daarvoor. De bundel met korte verhalen van Elmar Kuiper met illustraties door Willie Darktrousers ligt aan mij voor. Vreemd dat daarbij die wijsjes door mijn hoofd dwarrelen. Nog even belt de Earring aan met “She flies on strange wings”, maar ik sla de deur voor de neus dicht. Eigenaardig dat ik bij het lezen van de verhalen denk aan een schrijver als Roald Dahl. Met zijn sterk visuele stijl van schrijven, waardoor de verhalen gemakkelijk te verfilmen zijn.

    Dubieuze figuren

    In het boek “In frjemde fûgel” geeft Elmar Kuiper plastisch en concreet de omgeving weer waar zijn hoofdpersoon in dat enkele verhaal zich bevindt. Waar hij aan denkt, wat hij ziet en zich mee bezig houdt. Omdat de entourage zo nauwgezet is omschreven maak ik als lezer deel uit van het verhaal. Als figurant speel ik mee in de film. Ook al omdat de vreemde vogel een rare snoeshaan is en dat karakter een bekend gevoel geeft. Want ben ik ooit ook eens een vreemde vogel geweest. Met de nek aan gekeken, met de vinger na gewezen. Over dat soort kleine narigheden gaan de verhalen van Kuiper echter niet. Het zijn de vreemde eenden in de bijt. Levend aan de rand van de maatschappij. Worden voor gek versleten, zijn maniakaal, obsessief, verlegen, monomaan of autistisch, lees ik op de achterkant van het boekje. Over die mensen gaat het. Met name op het gebied van intimiteit en relaties leeft het bij hen erg stroef. De dubieuze figuren die de revue passeren geven het leven echter kleur. Zonder deze vreemde vogels zou de wereld grauw en grijs rond de zon cirkelen. De schrijver laat mij als het ware als een gevederde vriend ronddolen in zijn geest, de geest van de vreemde vogel. Welhaast word ik dat rare mens, die eigenaardige persoon. Niet sta ik erbij en kijk ernaar, zoals bij die beren die smeren konden.

    Spanning op het eind

    Elmar Kuiper heeft een leesbare stijl van schrijven. Schrijvend in de Friese taal buit hij daarvan de mogelijkheden uit. De taal heeft ballen, kan de vertelling krachtig uitdrukken. Is een visuele taal, beschrijft lyrisch de gebeurtenis. Kuiper formuleert de woorden soepel, speels en beeldend plaatst hij de bedachte personages in zijn relaas. Hij houdt mijn aandacht vanaf de eerste zin vast. Ik ga op de punt van de stoel zitten. En niet af en toe bijt ik bijna het puntje van de tong af, omdat Kuiper de spanning concentreert tot op het eind. Het plot steekt vernuftig in elkaar en ik zie de ontknoping zelden aankomen. Daarom schieten mij teksten van Poe en Dahl in gedachten. Het heeft eenzelfde soort wereldvreemde verhaallijn, een bovenaardse vertelling. Zo leest het, maar de waarheid achter de woorden ligt dieper. Het beschrijft momenten van alledag, mensen als jij en ik zoals we hadden kunnen zijn. De gedachte figuren dwalen niet ver van de bewoonde wereld af. Het kan de buurman zijn of die man in de rij achter de kassa. Maar er is een steekje los, zoals ieder leven een open eindje heeft.

    Elmar Kuiper, Uitgeverij Hispel
    Elmar Kuiper

    Beeldend taalgebruik

    De verhalen van Elmar Kuiper lopen bijna nooit zoals ik al lezend denk dat ze zullen gaan. Het leidt telkens ergens anders heen dan zoals ik verwacht dat het zal eindigen. Dat rekt de spanningsboog op, zover dat deze strak staat tot na het laatste woord. Dan denk ik nog na en doorzie pas de essentie. Niet omdat ik de Friese taal niet machtig ben en spreektaal niet van boekentaal kan onderscheiden. De schrijfstijl en verhaaltrant van Kuiper nodigt uit een enkel verhaal meermalen te lezen. Daarmee doorgrond ik beter de levens van de vogels, vreemd maar wel vertrouwd. De duidingen zijn expressief en suggestief. Een beeldend taalgebruik zoals mijn inziens alleen het Fries dat kent. Uitdrukkingen die meer poëtisch klinken dan als proza geschreven. Vandaar ook dat Kuiper er zo flexibel mee weet om te gaan. Als geboren dichter trekt hij de jas van tekstschrijver aan. Dit is zijn eerste verhalenbundel naast de rij eerder gepubliceerde gedichtenbundels. Voor diverse gedichten en enkele verhalen ontving de psychiatrisch verpleegkundige, beeldend kunstenaar, videofilmer, performer/zanger van de Tigers fan Greonterp, en dichter de Rely Jorritsmapriis. Voor het titelverhaal van de bundel ‘In frjemde fûgel’ ontving hij vorig jaar nog deze pretentieuze Fryske literatuurprijs. Dit verhaal lijkt over hemzelf te gaan, want geschreven in de ik-vorm. Maar daarmee houdt hij het persoonlijk, de lezer kan zelf in die ik kruipen en zich hoofdpersoon van het verhaal voelen. Op andere bladzijden gaat het over Marten, Hindrik, Bernard, Gysbert en Jelmer. Maar ook in een ander verhaal zie ik mezelf terug. Dat verhaal heeft een open einde met een dubbele punt, als hoort er nog wat achteraan te komen. Een interactieve vertelling. Want dat iets mag ik zelf invullen door terug te grijpen op alinea’s eerder in het relaas: ‘us rit sit derop’.

    Elmar Kuiper, Uitgeverij Hispel, Willie Darktrousers
    Willie Darktrousers

    De tekeningen van Willie Darktrousers bij de verhalen, de illustraties die de beschreven figuren uittekenen, zijn even vreemde schetsen als de sketches dat zelf zijn. In een onbeholpen stijl van werken zet de tekenaar de karakters neer. Maar die harkerige opzet is het handelsmerk van Darktrousers, daarmee steekt hij boven het maaiveld uit, valt hij op in de grauwe massa van tekenaars en illustratoren. Voor “In Frjemde Fûgel” blijft hij daarmee helemaal bij de les. De nuvere yllustraasjes geven onomwonden en nadrukkelijk weer hoe de hoofdpersoon niet is maar zich wel voelt. Waar Elmar in de huid kruipt van de buitenbeentjes zit Willie in hun hoofd. Lenig en beeldend.

    In Frjemde Fûgel. Verhalen van Elmar Kuiper. Tekeningen Willie Darktrousers. Uitgeverij Hispel, 2022.

    Elmar Kuiper, Uitgeverij Hispel
  • WILLEM WINTERS: “sjoch, lês, wat fynst derfan?”

    Het is niet voor niets dat het boekje “Sjen” getiteld is. Want Willem Winters leert mij zien. Hij kijkt zelf al decennia lang in het rond en schrijft over wat hij zijn ogen treffen en welke dingen hem opvallen. Nu hij 75 jaar jong is word het tijd voor een bloemlezing met korte verhalen, columns en essays die hij uit zijn beschouwen van de wereld liet ontstaan. Een bloemlezing, want er zijn veel mooie rozen, lelies, de prachtigste tulpen, chrysanten, anjers en gerbera’s bij. ‘Sjen’, dat is Fries voor zien, kijken. Dat doet schrijver Willem Winters zijn lange leven lang al. En hij heeft een mening over wat hij ziet. Die mening houdt hij niet voor zichzelf, maar noteert deze en breit er woorden omheen zodat het een leesbaar verhaal wordt. Een kort verhaal waarbij ik een zogenoemd aha-erlebnis krijg. De gedachte bij zijn denkbeelden dat ik het ook zò kan zien. Dat heb ik voordien niet zo geweten en ingeschat. Winters leert mij dus de wereld met andere ogen te bekijken, te doorzien wat ik zie.

    Hikke en tein

    Digerje’, dat is eigenlijk nog een mooier woord. Zoals de Friese taal doorspekt is mooie beeldende woorden. ‘Digerje’ is Fries voor turen, staren. Beschouwen dus eigenlijk, ‘besjen’. Willem Winters is Fries, in hart en nieren, ‘hikke en tein’. Geboren aan de Badweg te Heerenveen in de jaren vlak na de oorlog. De jaren 50 van de vorige eeuw zitten hem dan ook in het bloed. In de genen, schrijft hij. Hij raakt er niet van af. Het slijt, maar toch blijft het. In de verschenen uitgave komen die jaren sporadisch terug, maar ze blijven voortdurend in denken en doen op de achtergrond aanwezig. Wie meer over leven en werken van Winters wil weten koopt het boekje “Sjen”, want Piter Boersma schreef er een biografische inleiding voor: Willem, yn fûgelflecht: met zevenmijlslaarzen door de Winters van Willem.

    Anders kijken

    Willem Winters leert mij zien. Hij leert mij anders kijken, zoals beeldend kunstenaars dat ook zo fantastisch kunnen doen. Het is geen fantasie waar Winters over schrijft, het is de waarheid maar dan in een ander daglicht gezet. Na het lezen van de teksten in het boek wordt ik mijn omgeving anders gewaar. Merk ik meer details op en beschouw deze op een tegengestelde manier dan dat ik gewoon was te doen. De schrijver doet dat ook. Hij neemt waar, staart en tuurt, bepeinst het geheel en kan dwars uit de hoek komen. Hij heeft zo zijn eigen gedachten over de dingen en geeft duidelijk aan datgene waar hij anders in staat, tegendraads beschouwt, het mee oneens is.

    Willem Winters

    Willem Winters is een geaarde Fries. Vandaar ook dat hij meestentijds in de Friese taal schrijft. Maar ook rolt het Nederlands regelmatig uit zijn pen. Hij heeft voor diverse media binnen en buiten Friesland geschreven. “Sjen” toont in vogelvlucht een keur aan kleur en fleur in deze plattegrond van zijn schrijverschap. Winters schrijft over van alles en nog wat, ieder onderwerp schijnt aan hem te zijn besteed. Van maatschappij tot film en muziek via mensen en beesten. De kunst draagt Willem een warm hart toe. Hij heeft kunde aan diverse kunstenaars en onderhoudt met sommige een briefwisseling. Eigenlijk is het onderhield, want ze leven al niet meer: Sjoerd de Vries, Sies Bleeker, Willem van Althuis. In “Sjen” komen ook deze vriendschappen voor het voetlicht.

    Tegendraadse kunstenaars

    Over DADA, de kunststroming uit de eerste helft van de vorige eeuw, schrijft Winters regelmatig. Van de traditie afwijkende kunstenaars, beeldend in woord en beeld, hebben zijn voorliefde. Ze zijn van voor zijn tijd, maar de idee en gedachte leeft voort. Die Sjoerd, Sies en Willem onder andere zijn erfnemers. Aan de hand van Thom Mercuur leert hij ze kennen en krijgt meer dan waardering voor deze tegendraadse kunstenaars die hem en de rest anders leren kijken. Winters schrijft wel over de grote dingen in het leven, maar houdt het ook wel klein en bij zichzelf. Verhalen van op reis met de camper door Frankrijk, of op de fiets langs de Friese kust.

    Fotograferen als het vastleggen van droombeelden. De film als in de kritiek van het kijken, over het kijken naar rolprenten. En natuurlijk krijgt de literatuur in zijn geschriften er van langs. Een beschouwing van vooral het Friestalige resultaat van de letterkunde. Het gaat in “Sjen” van de hak op de tak, lijkt het – van hot naar her, schijnt het. Maar de samensteller heeft er, ondanks het grote aantal pennenvruchten waarover hij kon beschikken en waaruit hij kon selecteren, een uitgebalanceerde uitgave van weten te maken. Opgedeeld in rubrieken, geen chronologisch overzicht. Winters heeft geen begin of eind, is in elk artikel even professioneel bezig.

    Willem Winters

    Winters speelt met woorden, want kijken is ook een spel. Over opmerkelijke mensen, de wonderlijke dierenwereld. Na lezing van het boek bezie ik de dingen om mij heen meer gedetailleerd, merk beter de kleine dingen in het leven op. Winters leert mij beter en meer nauwkeurig te kijken. En er iets van te vinden, niet domweg alles voor waarheid aan te nemen. Het eigenzinnige van schrijver en uitgever komt opmerkelijk tot uiting in de dwarse nummering van de pagina’s.

    Na “Sjen” zal ik niet zomaar meer een vlieg dood slaan, op een slakkenhuis gaan staan, een worm aan de vishaak prikken en behoedzaam mijn tuinpad bewandelen. De vlakwerking en het lijnenspel van de klinkers in de straat bewonderen – het is een onopgemerkt openlucht museum. Willem Winters is een fantastisch schrijver, die zijn fantasie over de dingen laat gaan maar geen fantast is. Aan het slot van “Sjen” heeft Piter Boersma nog enkele sprookjesachtige stukken geplaatst. Fabels waarin Winters de mensheid via de dierenwereld te kijk zet. Een afsluiter met een glimlach. En vanaf de kaft kijkt Willem mij beschouwend aan: ‘sjoch, lês, wat fynst derfan?

    Sjen, Willem Winters. Utjouwerij Hispel, 2021.

    Willem Winters, Utjouwerij Hispel