“Uiteindelijk gaat het Odijk om het kijken.” Maar daar gaat het iedere kunstenaar om, denk ik. Er moet gekeken worden. Het werk moet gezien worden. Maar Jef Schaeps bedoelt in het verantwoorden van zijn beschouwing op het werk van Odijk dat ik niet gewoon moet kijken, maar mijn blik moet openen om doordringend te zien zodat ik de wereld achter het zichtbare ontdek. Inez Odijk toont mij in haar werk een gelaagde omgeving. In de tekening zie ik wat ik denk te zien, wat tastbaar is en wat ik begrijp. Maar achter dat zichtbare speelt meer, in die gelaagdheid speelt het gevoel, de ervaring. Denk ik er meer te zien dan wordt getoond. Hoever kunnen wij daarin doordringen, vraagt Schaeps zich af.
Ik doe een poging in dit werk op te gaan wanneer ik het kunstenaarsboek “Groeven en aanwas” van Odijk doorblader. De ene bladzij volgt op de andere pagina, ik houd eens stil om mijn blik te scherpen en mijn gedachten over het beeld te laten gaan. De bedrukking van de bladspiegel biologeert, houdt de aandacht vast. Eigenlijk dringt de wereld van Odijk in mìj door, het beeld belast mij positief met de zichtbaarheid. En niet andersom, ik hoef mij niet te verdiepen. Ik hoef haar werkelijkheid niet door te prikken, hoef niet door te graven tot ik het abstracte beeld bereik. In positieve zin dringt het werk zich aan mij op en lost als vanzelf het raadsel op. En ik laat dit reikhalzend toe.
In kijken het beeld bevatten
In de uitgave met afdrukken van houtsneden, lijnetsen en inkt op papier draait het enkel om het kijken. Actief kijken. Interactief zien, want het werk beïnvloedt mijn gedachten. De afdrukken zijn het onderwerp van het boek. Het geeft een indruk van het kunnen van Odijk, de kunst waarin zij zich uit. De twee teksten die bij de beelden gaan, van de genoemde Schaeps en die van Landa van Vliet, duiden het werk maar zeggen niets over de vrouw achter de kunst. Een verademing dus, dacht ik. Niets te weten over het hoe en waarom, de gedachte achter het doen. Om aldus objectief te kunnen kijken. Onbevangen te zien. Onbevooroordeeld te doorgronden.
Wat de schrijvers doen is inderdaad kijken. In dat kijken het beeld bevatten. In het aftasten Odijk doorzien om voor mij het mysterie te ontraadselen. Dat is wat ze schrijven, waar ze over schrijven. Over hun bevinding, hun beleving, het gevoel, de emotie. En niet over wat Odijk bedoelt zal hebben. Zo kan ik neutraal blijven kijken, want mijn zien wordt niet in een bepaalde vaststaande richting geduwd. Hoewel de schrijvers dat in principe wel onopzettelijk proberen met hun korte zienswijze op het werk. Toch kan ik er het mijne van vinden. Zelf het raadsel oplossen. Enkel is het schrijven een handreiking, zodat ik mijn ogen open en beter kijk. Het eens kan zijn met wat geschreven is, ermee instemmen, maar wel mijn eigen waarde ertegen aan kan zetten. Zelf kijken en zien.

Het werk van Inez Odijk boeit. Wanneer het eenmaal in mijn blikveld is kan ik mijn ogen er niet van los laten. Ik wil zien wat daar gebeurt, wat de voorstelling is in de gutslijnen of de pennenstreken. In velden opgebouwd uit diverse verschillende composities kijk ik naar een schijnbaar ondoordringbaar vegetatieve voorstelling. Lig ik als het ware op mijn knieën en beschouw de planten in mijn wilde tuin op groeihoogte. Het is een wildernis van streepjes, lijnen, punten in een effen getint vlak. Deze composities in een raamwerk van aaneensluitende en in elkaar overlopende beeltenissen wanneer het een tableau betreft zijn onderling uitwisselbaar. Hoewel de afgedrukte versies in het boek de eigenlijke samenstellingen lijken, kunnen deze in een andere opstelling even realistisch zijn. En ook kan een deel uit het geheel worden genomen om autonoom tot uitdrukking te komen.
Met de focus van een monnik
In de stilstand, de status quo van het beeldvlak, is vreemd genoeg alles in beweging. De verstilde voorstelling gunt de blik geen rust. Mijn ogen zien in de afbeelding voortdurend opnieuw een actie die het definitieve gegeven uitdrukt. Doordat mijn ogen in beweging zijn om ieder detail te kunnen opnemen, te doorzien en in het geheel te overzien, krijgt de compositie als vanzelf een dynamisch karakter. Mijn kijken brengt leven in de op zichzelf dode materie: de inkt die onder de pers gedwongen is op deze manier tot uitdrukking te komen.

In deze levendige composities dringen zich voorstellingen aan mij op. Van korte afstand gezien is het werk een abstract geheel van lijnen en punten van waaruit vlakken en omgevingen ontstaan. Op afstand wordt de handeling, met de focus van een monnik, die Odijk zich getroost heeft duidelijk. Het maagdelijke wit vloeit samen tot het tafereel dat afsteekt tegen het blauwe of rode dan wel zwarte fond. Ik zie daar een plant opdoemen, een bloem ontstaan, een gezicht opgloeien of een boom groeien. Het beeld bedriegt de ogen niet. Zoals Van Vliet opmerkt is het precies: “Inez Odijk duidt het schemergebied tussen het zien en de geest”. In het volle licht lijkt alles waarheid, maar het echte zijn is zichtbaar in de nevel van de morgen, in het halfduister van de avond. Het ontwaken van de dag, het inslapen van de tijd.
In het mysterie dat uit het gedruis van guts en kerf, naald en penseel, groef en aanwas een te begrijpen beeld ontstaat neemt Odijk mijn blik mee de inspiratie in. In de wildernis van kunstige bezigheden wil mijn oog een ontdekking doen. Er valt voldoende te beleven in het schijnbaar gelaagde vlak. Niet tastbaar gelaagd, maar de voelbare diepte. Tussen de regels van punten en lijnen door doemt al te vaak een niet door Odijk getekend beeld op. Mijn geest vult het inzicht in, ik zie door de afdruk een herinnering aan een eens gezien iets ontstaan. Een déjà vu, alsof ik eerder in gedachten in deze compositie was. De lijnen en vormen maken in mijn denkwereld een andere voorstelling dan bedoeld is door de kunstenaar. Ik doorzie mijzelf in haar werk. Zij laat mij kijken met de geest. Haar werk doet een beroep op mijn geheugen.

Een serene rust
De houtsneden en pentekeningen hebben een actief karakter. Het verdient concentratie in kijken, omdat door de veelheid aan uitgedrukte gegevens het zien rap raakt afgeleid. Ook in de portretten, die zijn opgebouwd uit vooral een stijlvolle wirwar van punten en stippen, krijgt het oog nauwelijks rust. De blik vindt slechts een moment houvast op de uitgesproken oogopslag en in de volle lippen. En wanneer dan de mens beschutting zoekt in de tuin, zich afwendt van het leven, wordt het zijn onderdeel van het wezen. Pas in de serie lijnets en droge naald van de Maas is een serene rust weergegeven. Hoewel de lijnen, die het stromende water suggereren, maar nauwelijks een stilstaand beeld laten zien. Kijk ik in de golven van de rivier dan raakt mijn blik algauw duizelig en verdrinkt in de spiegelende schommeling. Odijk zet dit fluctuerende karakter van het water stil in haar grafiek. Maar doet nog wel vermoeden dat de wind over het oppervlak gaat, het in beweging zet. Die abstracte weergave toont de realiteit.
Inez Odijk verbeeldt de tijd in haar composities. Ze pakt het moment en suggereert het volgende ogenblik. Het is zoals ze het zelf omschrijft: “Het werken is als een wandeling; onderweg stel ik vragen, ontleed ik. Ik kom op een spannend punt waar bewegingen zich concentreren tot een vorm, of een uitzicht. Een kort moment, voordat alles weer lijkt op te lossen.” Ik ga mee op haar wandeling, concentreer me op de beweging. Dat enkele vluchtige moment ligt vast in haar werk.
Kunstenaarsboek “Groeven en aanwas”, grafiek en tekening van Inez Odijk. Tekst Landa van Vliet, Jef Schaeps. Omslag: houtsnede in oplage, gevouwen. Uitgave Art Collart, april 2022.

Leave a Reply