Het gras van Joris Vincken is groener

Met zijn woorden komt hij in mijn DNA, mijn innerlijke ik. Zijn woorden laten mij niet los, de zinnen blijven rondcirkelen in mijn hoofd. “Wij zijn elk grassprietje, / de zon, / de aarde waarop we lopen. / Al het andere is illusie.” Maar ik kan niet meer dan één vers per uur verdragen en dan ook nog in een dosis van niet meer dan zeven per dag. Dat is het recept, het voorschrift de dichterlijke beschrijvingen van het leven door Joris Vincken te slikken. Dan zijn mijn gedachten vol om ieder woord en elk vers nog naar waarde te kunnen schatten. Dan ben ik gedrogeerd met zijn wezen. Want het zijn wel veel woorden tot zinnen per pagina. Fijn dat de uitgave “het gras is groener aan deze kant” daarom in een zakboekformaat gebonden is, dus ik neem het makkelijk mee op mijn reis door de tijd. Om het zo nu en dan open te slaan, te lezen, hoe het ook alweer moet dat zijn in de tijd, zijn in het moment. Niet als therapie, of op therapeutische basis, maar als houvast in het zijn te blijven. Beseffen dat niet alles beter is bij de buren, dat het gras aan deze kant ook groener kan zijn en is. Dat ik in mezelf opkom voor mijn eigen ik. Ik me niet onder de tijd laat schoffelen, maar fier boven het maaiveld uitsteek: ik doe er toe.

Pluk de dag

Joris Vincken leeft met zijn schrijven in het hier en nu, probeert door woorden van zich af te dichten dat te zijn. Het zo voor te schrijven eigenlijk, door mij te laten lezen. Pluk de dag is zijn devies merk ik tussen de regels door, pluk de dag zolang het geen morgen is of gisteren was. In een lijvig klein boekje lees ik 192 poëtische gedachten. Soms losjes op rijm gezet en dan weer in korte puntige zinnen of enkele woorden. Gedachten die diepzinnig gaan, onder mijn huid kruipen, me aan het denken zetten tot ik peinzend in het hier schrik. “Ik was nooit verdwaald / mijn pad loopt alleen anders / dan ik had verwacht.” Ik lees woorden, ze boren gedachten aan en ik sla mijn ogen op, werp mijn blik door het raam naar buiten, tot in de blauwe lucht ik de vogels hoor fluiten. Weg van hier en nu. Maar dat is nu juist wat Vincken niet wil! Hij wil mij bepalen bij het hier, nu. Ik mag wel dromen in zijn woorden, maar zal wel wakker blijven om ze voor waar te schatten. Mijn gedachten mogen niet afdwalen, maar zullen in het moment blijven.

Joris Vincken

Met hem denk ik daaraan, hij laat het mij denken. Vincken richt niet het woord tot mij, hij blijft bij zichzelf, lijkt het. Maar door de bundel heen komt hij dichterbij, is het net alsof ik hem leer kennen, wordt Joris een kennis of zelfs een kameraad. Komen zijn woorden overeen met mijn denken, sluiten zijn gedachten aan op mijn ervaringen. Het leest vertrouwd, hij omschrijft herkenning. Steeds blij zijn in de morgen op te staan en het leven levend te vieren. Dankbaar voor de dag, niet omkijken, niet vooruit zien, leven in vandaag. De vrijheid van in het moment zijn, niet meer gevangen zitten in de waan van wat er allemaal gedaan moet worden. Vrij zijn als de vogel in de lucht die niets moet maar alles hoeft, schijnt het, want die vogel moet ook het dagelijks kostje bij elkaar scharrelen om te overleven. Wie is echt vrij? Vrij ben je in gedachten, die alle kanten op kunnen gaan – stil zitten voor je uit staren, mediteren, boven jezelf uitstijgen. Ik stijg boven mezelf uit wanneer ik Vincken’s werk lees.

Joris Vincken

Lofzang op het leven

Ook is het wel een lofzang op het leven, die gedichten in deze uitgave. Niet alleen het leven lief hebben, maar zich ook verwonderen daarover. Hoe mooi dat leven is elke dag weer. Door de verzen heen loopt een rode draad. Met die draad in de hand zoekt de dichter zichzelf, en vindt de ander om lief te hebben. Maar steeds komt de schrijver er achter dat wat hij in zichzelf zoekt allang gevonden is, er al is en was. En ik met hem. En dan opeens wordt ik persoonlijk aangesproken – ik voelde steeds al nabijheid, in woorden een arm om mijn schouder, een blik van verstandhouding, dezelfde gedachte; eenzelfde geest – , maar nu, tegen het eind van de bundel, namelijk op de pagina’s 162 en 163 van de 196 die het boek telt, ben ik het – is de lezer het die wordt aangesproken: “Ik nodig je uit, / hier, nu, / terwijl alles / om je heen beweegt. / Heel even, / een fractie van een seconde, / dat te voelen wat kijkt, / kijkt naar jou die leest. / Iets weet, / is bewust, / stil, / onbeweeglijk. / Het herkent de lezer, / kent jou in al je intimiteit, / is jou, / is oneindig. / Voordat je adem verder stroomt, / voor de volgende woorden, / ben jij, zijn wij, / is alles.

Joris Vincken

Vincken twijfelt ook, aan alles schijnt het. Gelukkig maar, dan blijf je scherp. Hij geeft zichzelf bloot in zijn verzen “Waar ben ik, / en ben ik daar waar? / Of ben ik verzonnen, / en was het nooit waar?” Het echoot stil door de aaneengeregen woorden, dat er een hogere macht is, een iets dat meer is dan wij zijn, maar wordt bijna nergens precies benoemd. Het leven is goed, hier en nu. Vooral nu, in dit moment. Zoek en vind jezelf, en die ander. Joris Vincken schrijft gisteren en morgen van zich af om in vandaag te zijn, nu te leven.

Dichtbundel “Het gras is groener aan deze kant”, poëzie van Joris Vincken. Uitgeverij Ongevonden, 2020.

Joris Vincken, dichtbundel, Uitgeverij Ongevonden

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *