“Een boom is nooit de boom zelf”
Jan Kleefstra steekt in zijn bundel ‘verlegen land’ de vlag uit voor de natuur. Hij blaast de loftrompet, zogezegd. Maar doet dit niet brutaal en uitbundig. Het is een zachte noot met een doordringende toon. Omfloerst benadert de dichter het landschap. Liggend in hoog gras beziet hij de omgeving. Want de natuur is schichtig wanneer het om menselijke indringing gaat. De eeuwenlange ervaring met het aangenaam verpozen langs berg en dal heeft het land verlegen gemaakt. Het geeft niet snel meer het eigene prijs. Het verlegt zijn grenzen.
“branding ruist alleen om de zee niet te vergeten”
Jan Kleefstra is stil en lijkt in zichzelf gekeerd, luisterend naar wat de natuur zegt, kijkend naar wat de natuur doet. Deze beleving geeft hem stof tot nadenken, woorden om te dichten. Regels die zich in stemmingen wentelen. Zinnen die zich draaien naar sferen in atmosfeer. De verzen die onberijmd klinken doen een vertederende indruk vermoeden. Een begeerte tot flora, een hartstocht naar fauna. Beschouwend zet hij zijn bespiegeling uiteen. Meditatief laten de woorden het toe zich op papier uit te schrijven. Maar eerst schudt Kleefstra nog maar eens de leegte op om de reis in en door de dichtkunst gelouterd te beginnen.
“Met wiens hand vervals ik het schrift / waarmee de meeuw in haar mantel / streng om de winter vraagt”

In poëzie opgeschreven gedachten beklijven. Abstracte gedachten worden overdachte gedichten. Ze houden de aandacht vast. Verschijnen op het netvlies om indachtig in de geest te blijven staan. In een kleurige toonzetting tint de zwarte drukinkt als galmend lied. De nuance in de compositie klinkt als muziek voor de ogen. In luisterrijke woorden spreiden zich fraaie formuleringen. De figuratieve regels schakelen zich in onstoffelijke inzichten. Het laat zich makkelijk lezen, maar niet eenvoudig begrijpen.
“het meest ontheemd van de zee / is de zwemmer die naar de meeuwen kijkt / en zijn longen vol weerspiegelingen zuigt”
De gedichten van Kleefstra zijn niet goed voor een snelle opname tijdens de thee. Ze hebben langere aandacht nodig, zoals een abstracte compositie tijd nodig heeft in te dalen en een schilderij dat de realiteit in essentie weergeeft pas naderhand kan worden doorgrond. Na meerdere lezingen, het ontleden van de zinnen, weet ik pas wat ik lees. Niet meteen doorzie ik het bezielende taalgebruik. Maar dan daarna ga ik mee op de golven van de aaneengeregen letters. Onderken ik de zeggingskracht, doorzie ik de verstilling.
“Uit de hoogte hang ik neer / en klapwiek een beetje”

Niet telkens spreekt Kleefstra in eerste persoon, maar verplaatst zich wel in wind en wolken die ruisend langs gaat en statig overdrijven. Spreekt door de vogel, dicht met de getijden. Er is veel symboliek in de regels. Een eigen taal dat verwoordt wat door zien gevoeld is. De sfeer is veelal goedmoedig, lijkt een hang naar hoe het in de natuur eens was of zou moeten zijn. Een droomwereld in zingende zinnen.
“tot dusver is de branding voor niets aangespoeld”
“VERLEGEN LAND”, poëzie van Jan Kleefstra. Met schetsen van Jan Snijder. Uitgeverij Aspekt, 2020.

Geef een reactie