Nu we al een tijdlang niet in de normale wereld onze tijd doorbrengen, klamp ik mij vast aan gedachten en overdenkingen. Blijf meer bij mezelf dan in het gezelschap van de ander. Dat moet wel, want de sociale kant van deze maatschappij is nu fysiek ver te zoeken. We vinden elkaar dan wel in the cloud, op internet, de wereldwijde ontmoetingsplaats waar we geen handen schudden en de ander niet om de hals vallen. Op die plek is het sociale samenzijn coronaproof.
De ander bezoeken is beperkt, elkaar vinden in stadion en op straat, in kroeg en kerk, is aan aantallen en afstandsregels gebonden. Vooral in die laatste ruimte, de kerk, voelt dat als een overkomelijke inperking. Om de Heer te loven en te prijzen in gemeenschap moet je een plaats reserveren. Een plek in de bank op anderhalve meter afstand van je broeder of zuster. En met hart en ziel uit het diepste van je wezen zingen, dat kan ik wel vergeten. Natuurlijk kan ik thuis aan tafel biddend loven en prijzen, geknield naast het bed. Of tijdens een wandeling met de hond door het bos, op de fiets naar het werk de Heer in mijn gedachten zoeken.
Gedachten beperken
Om mijn wezen te bepalen tot inkeer, de blik contemplatief in mezelf gericht en het verstand in meditatie, heb ik niet genoeg aan eigen kennis en geloofsovertuiging. Diepere gedachten en overwegender woorden, waarin anderen dan ikzelf beter zijn, spreken tot mijn verbeelding in hemel en op aarde. Mijn eigen gedachten dwalen veelal af naar wereldse zaken, dagelijkse bezigheden, ervaringen nog te (be)leven. Dus pak ik een boek erbij, luister naar geluiden van een cd of de stilte in de natuur. Om mijn wezen te focussen, mijn gedachten te beperken en in te kaderen. Op de dag die men noemt de dag des Heren, de zondag, geven televisiebeelden overdenkingen en meditatie. Maar daarna is het leeg en wordt ik terug geworpen op mijn eigen ik en zijn.

Dan is er de bloemlezing uit het oeuvre van Huub Oosterhuis dat me kracht geeft en de geest versterkt. Niet zweverig of vol geloof, maar woorden die aanzetten tot gedachten. Een handreiking om de focus te richten op wat voor mij denkelijk erg belangrijk is. Vooral nu in deze pandemie, waarin normaal ongewoon lijkt. Maar zeker in alle andere tijden voor deze en na nu en straks, zijn de gedichten van Oosterhuis bemoedigend of sluiten in elk geval aan op mijn houding in het leven.
In woorden tot zinnen
De andere Oosterhuis. Althans ik kende hem niet anders. Kennend van vrome liederen, de priester – de voorganger, is hier mens. Met alle gedachten, angsten, twijfels. Over het leven, het geloof, de liefde, het sterven. Dicht over de mensheid, het samen één zijn. Misstanden in de wereld. Dit is de andere Oosterhuis, die strijdt met woorden in een wereld die meestal doof is. Geen gedichten die troostend gezongen kunnen worden. Maar wel dat ik in de woorden kan verdrinken. Tevreden naar de bodem zwevend, opzien naar ander geluk.
Hij strooit letters in woorden tot zinnen, die steek houden; iets te vertellen hebben. Soms is de keuze tussen poëzie en proza niet te maken, lopen de regels zingend dooreen. Vormt de boodschap zich in klinkende gezangen als nauwelijks te toonzetten verzen. De mens blijft uitdrager, leraar, verspreider van het goede woord in de juiste modulatie. Want de zinnen staan open voor een galmend geluid, dat het kan gezongen worden door allen of door één. Maar de gedichten handgeschreven zijn persoonlijk, echoën in solo door het leven, mijn leven wanneer ik ze lees en weeg in mijn hart. De woorden blijven hangen en inspireren, beïnvloeden mijn woordkeuze. In de golven van zijn zinnen dein ik, wiegelend van woord tot woord. Word ik opnieuw gedoopt? Leiden zijn woorden mij tot het altaar. Het vlies van de wedergeboorte lijkt tussen de regels door te breken.

In deze lijvige bundel, die ongeveer 300 gedichten omvat die Oosterhuis zelf selecteerde uit 70 jaren dichten, vind ik niet de religieuze gezangen en berijmingen waarmee hij de kerkgangers in de banken krijgt. Ik lees geen “Zolang er mensen zijn op aarde” of de religieuse hit “Licht dat aanstoot in de morgen”. Wel ontdek ik tussen de regels door de zoektocht naar een hoger wezen in dit aardse zijn. Door woorden woorden vinden om die drang te omschrijven. Die begeerte naar leven uit het leven, sterker dan de dood. Een samengaan met Hem.
De mens Oosterhuis
In dit boek “Handgeschreven” leer ik Oosterhuis kennen, de mens. Door de zingende zinnen. In de klankende gezangen en liederen van zijn hand leer ik God kennen, de hemel. De mens leren kennen door zijn gedachten die woorden vormen. Naarmate ik doorlees in het boek omarmen de woorden mij, worden de zinnen meer persoonlijk. Gaan binnen in de wereld van Oosterhuis. Ik kijk door de vensters zijn huis in. Besef niet telkens wat ik zie. Maar lees een vers nog eens weer, en nog eens. Ik kijk beter en zie wat ik voel. Wat de dichter gedacht zal hebben, ik wil dat doorzien. Doorzien en nog eens door dat venster kijken. Mijn adem wasemt het raam mistig. Ik wuif de druppels weg, lees meer aandachtig en loop mee aan zijn hand de kamer binnen.

En langzaam aan schijnt God meer duidelijk door de woorden. Leeft Hij stelliger met de regels mee. Hij is er en blijft er, overtuigd. Oosterhuis rijgt de letters tot nieuwe woorden om zijn liefde voor de ander in het leven te beschrijven. Door zijn woorden stuurt hij mij onbewust, onbedoeld?, tot hogere hoogten in mijn zinnen. Ik pak zijn zinnen op en laat mijn regels daarop groeien. Hij heeft gezaaid, ik bloei.
Bundel “Handgeschreven”, verzamelde gedichten 1950-2020, Huub Oosterhuis. Uitgeverij Ten Have, 2020.

Geef een reactie