Natuurlijk, ik ken het werk van Harry de Jong. Zijn observaties van het dagelijks leven waardoor hij spitsvondige regels aan het papier kan vertrouwen. Of beter kon toevertrouwen, want die puntige beschouwingen horen al een tijd tot zijn verleden tijd. In een viertal bundels spuide De Jong ooit zijn kijk op het leven. Van midden jaren 70 van de vorige eeuw tot een tiental jaren later. Het werd veel gelezen en geciteerd. Nu nog kom ik weleens in een geschrift een regel of twee tegen, waarbij ik denk dat het een Harry kan zijn. Twintig jaar later doet hij het dan nog eens dunnetjes over wanneer Harry de eer heeft zich dorpsdichter van de gemeente Heerenveen te noemen. Dan zijn het veelal rijmende dichtregels die op papier worden gezet, terwijl de eerdere kleine gedichtjes meestal verstoken zijn van rijm en metrum.
Geen peulenschil
Daar de waarnemingen eigenlijk door de jaren heen niet aan kracht hebben ingeboet, besloot de schrijver een aantal ervan in een nieuwe bundel samen te brengen. Een bloemlezing, waarbij De Jong zelf het boeket heeft samengesteld. Dat is geen peulenschil, want zoek uit je eigen werk maar eens het betere van het beste. Alle zielenroerselen hebben belang en verdienen een plaats in een overzicht. Toch is er een rij van 79 treffende en geestige gezegden terecht gekomen in “Alsof doodgaan doodgewoon is”. De aanleiding voor deze titel vind ik op pagina 76: ‘Pas drie dagen/getrouwd en nu/zitten we al/doodrustig met een/wildvreemde kerel/te praten over wat/jij kunt beuren/als ik doodga./Alsof doodgaan/doodgewoon is.’

In deze nieuwe bundel laat De Jong zijn bloemlezing uit eigen werk voorafgaan door wat anderen van zijn werk vonden. Grote namen als Simon Carmiggelt, Drs. P en Fons Jansen bogen zich destijds over zijn werk en konden het zeer waarderen. Het is wel een overmatige verheerlijking van hemzelf, terwijl het werk die aanprijzing naar mijn mening absoluut niet nodig heeft. Het leest wel lekker weg, want Harry heeft in proza tevens een goede hand van schrijven.
Maar terug naar mijn kennis van zaken. Aan de wieg van de eerste bundel heb ik gestaan. Althans aan de eerste druk van “Ze zullen er nog wat van denken” heb ik mogen meewerken. Nu is het boekje een ware collector’s item. De getekende omslag is uit mijn kroontjespen gevloeid. Ik ging daarmee voor aan de illustrator Peter van Straaten, die de bundel “Aan de overzijde bijt het beter” van tekeningen voorzag.
Geestige bewoordingen
Notities noemt Harry de Jong zijn gedichtjes. Aantekeningen uit zijn leven van alledag. Soms geschreven vanuit de eerste persoon, de schrijver die beleeft wat wij alle als lezer zoal tegenkomen door de tijd. Maar ook als kritische beschouwer kijkend naar buurman of buurvrouw, die zaken aan het licht brengen die eigenlijk achter de gesloten deuren thuishoren. De Jong rekent ermee af in geestige bewoordingen, nauwlettende ondervindingen en scherpzinnige belevingen. Het is een aardigheid zijn blik te volgen, zijn schrift te lezen en te herkennen wat je al wel wist.
Vooral zijn kerkelijke opvoeding probeert Harry in kluchtige zinnen van zich af te schrijven. Soms druppelt er een zeker cynisme tussen de regels door. Maar helemaal wegcijferen lukt hem dit toch niet. Er is ergens een zaadje gezaaid en dat steekt krampachtig het kopje boven het maaiveld uit. Vermakelijk vind ik het dat enkele van die afrekeningen toch deze bloemlezing hebben gehaald.
De bundel laat zich niet in één adem uitlezen. Een dagelijkse observatie heeft recht op een wekelijkse uitleg. Eigenlijk past het werk uitstekend op een weekkalender, zodat de lezer enkele momenten meer de tijd krijgt het kernpunt op te pikken. Want dat is wat Harry de Jong heeft gedaan en wat ik met de woorden van Carmiggelt kan beamen: een gegeven verdampen tot alleen de essentie overblijft. Minder is meer. Uit de samenleving het wezen vatten. Van veelvoud eenvoud maken. Dat is wat ik lees: ‘Ik heb jou nog, maar jij hebt niemand meer’.
Alsof doodgaan doodgewoon is, bloemlezing uit vier bundels puntige observaties. Harry de Jong. Uitgave Band of Books, 2019.


Geef een reactie